Categorieën
Interview

Wende Snijders

De zangeres die een weg naar het grote podium hosselde

Zolang ze zich kan herinneren droomde Wende van het podium. Ze is een kind van expats en groeide op in Engeland, Indonesië en Guinee-Bissau. Waar ze ook woonde, het podium lonkte.

De weg daarnaartoe vond ze later in Nederland. Door te zoeken en te vechten. Ze had het moeilijk op de Kleinkunstacademie maar vond haar weg via de chansons. Het succes wat ze daarmee bereikte, werkte echter als een rookgordijn. Al gauw realiseerde Wende zich dat ze helemaal geen carrière à la Liesbeth List wilde. Ze wilde haar eigen shows neerzetten met een coherent verhaal, een ‘dramatische boog’.

Hoe ontworstel je je aan een imago als het niet meer klopt met wat je zelf wil maken? Wende staat daar uitgebreid bij stil en vertelt met een aanstekelijk enthousiasme over hoe ze zich een weg naar het podium hosselde en zichzelf daar uiteindelijk terugvond. Lessen die ze nu aan zangeressen S10 en Froukje doorgeeft.

⛰ Wende’s nieuwe show De Wildernis

👁 Kate Bush – The Man with a Child in His Eyes

👗 Aretha Franklin – Natural Woman

🇫🇷 Concours de la Chanson, een Franstalige zangwedstrijd 

🎙 Wende met haar uitvoering van La Foule

🎙 Wende met Stromae’s Formidable op de Uitmarkt (2015)

🥖 Brel – La Valse A Mille Temps

🎙 Wende’s optreden bij Barend en van Dorp in 2003 (vanaf minuut 20)

💠 Wende’s Kaleidoscoop in Carré

🍣 Jiro Dreams of Sushi, Netflix documentaire

Het volledige interview met Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Als allereerste vraag Wende: Waarom wilde jij eigenlijk meedoen met Jonge Jaren?

WENDE SNIJDERS: Omdat ik het een hele leuke vraag vind. Ik denk voor als er jonge mensen luisteren, dat het zowel even geruststellend als onrustmakend kan zijn.

ERNST-JAN PFAUTH: Goede balans daartussen.

WENDE SNIJDERS: En ik hou heel erg van vertellen over wat je kan doen om ergens te komen, omdat ik daar zelf ook zo veel aan gehad heb. Vroeger ging ik automatisch autobiografieën lezen, en biografieën lezen van Martha Graham of van Katharine Hepburn, Elizabeth Taylor, en dan dacht ik ‘oh zo doe je dat dus!’.

ERNST-JAN PFAUTH: Dan las je het ook echt als een soort handleiding.

WENDE SNIJDERS: Ja.

ERNST-JAN PFAUTH: Kun je je nog iets herinneren wat je uit zo’n biografie haalde?

WENDE SNIJDERS: Ik had bijvoorbeeld de biografie van Lotte Lenya gelezen en dat is de vrouw van Kurt Weill. Die heeft eigenlijk al die ‘De zeven doodzonden’ en ‘Mahagonny’, al die dingen die Brecht en Weill geschreven hebben, bijna als eerste gezongen. En ze zat ook heel erg bij dat creatieve proces. En ik kwam erachter dat zij als performer heel veel deed, dus dat ze zich ontwikkelde door heel veel te doen. En aan de andere kant leerde ik dat zo’n creatief proces, dat komt allemaal niet in één keer op papier. Het is echt een zoektocht, en een heen en weer gestuur en een gedenk. En dat vond ik heel spannend om te lezen omdat ik dacht van: ‘O ja, dus als je iets gaat maken dan is dat een hele tocht die je onderneemt.’

ERNST-JAN PFAUTH: En hoe oud was je ongeveer toen je dat las?

Ik wilde optreden. En ik denk dat ik er later pas bewuster van ben geworden dat ik ook shows wilde maken. De grote droom was altijd optreden.

Wende Snijders

WENDE SNIJDERS: Vijftien, veertien, zoiets.

ERNST-JAN PFAUTH: Wauw, best wel jong om zulke biografieën al te lezen.

WENDE SNIJDERS: Ja ik las altijd al wel veel en ik wist eigenlijk al best wel jong wat ik wilde. Niet dat ik het kon, maar ik wist wel dat ik het wilde.

ERNST-JAN PFAUTH: En wat zag je dan voor je? Wat was de droom?

WENDE SNIJDERS: Optreden. Altijd optreden. Ik wilde optreden. En ik denk dat ik later er pas bewuster van ben geworden dat ik shows wilde maken ook. Maar de grote droom was altijd optreden.

ERNST-JAN PFAUTH: En hoe oud was je toen je dat voor het eerst wist?

WENDE SNIJDERS: Nou ik herinner me dat ik op mijn vierde echt wist dat ik wilde dansen.

ERNST-JAN PFAUTH: Je vierde?

WENDE SNIJDERS: Ja echt best wel een soort van… Ik woonde toen in Indonesië en mijn ouders hadden ons meegenomen. Mijn vader die werkte daar tien maanden in Semarang. En die had ons meegenomen naar een volgens mij best wel toeristische dansvoorstelling. En aan het einde werd er gevraagd: ‘Wie wil er mee dansen?’. En het verhaal is dan dat ik nog net niet over het hek spróng en ik wilde echt meteen meedansen. En ik herinner me dat gevoel ook nog, dat ik mee móest dansen.

ERNST-JAN PFAUTH: Van die specifieke avond?

WENDE SNIJDERS: Ja en daarna heb ik een… Mijn vader had zo’n 8mm camera, en ik had tegen hem gezegd van: ‘Dan moet jij filmen’, en dan wist ik welke jurk ik aan moest en dan had ik die danspasjes ingestudeerd en toen heb ik gezegd: ‘Nu ga ik ook een dans maken’. Dus het was allemaal zo heel erg van dat ik me daar meteen mee verbond.

ERNST-JAN PFAUTH: Kun je je nog herinneren waarom het je zo aansprak?

WENDE SNIJDERS: Ik denk dat ik het heel mooi vond. Ik vond het heel magisch en ik vond het… Ik vind bewegen altijd heel leuk, dus ik denk dat het ook heel lekker voelde. En ja ik denk dat ik wel veel fantasie had, dat ik dacht ‘oh dan kan ik dat allemaal hier in proppen’. Maar het was eerst echt dansen. En ik heb ook klassiek ballet gedaan. En toen op mijn elfde hoorde ik Kate Bush, en toen dacht ik: ‘Dit ga ik doen. Dit is het gewoon, dit ga ik doen.’

ERNST-JAN PFAUTH: Op je elfde hoorde je Kate Bush. Hoe kwam de muziek van Kate Bush op je pad?

WENDE SNIJDERS: Nou er zit trouwens eigenlijk… nou ja liegen is een groot woord, maar er is een beetje een gekke herinnering. Ik herinner me dat ik op mijn elfde Kate Bush hoorde, volgens mij was het ergens in Frankrijk, The man with the child in his eyes, en ik was helemaal een soort betoverd door haar stem en door…

ERNST-JAN PFAUTH: Een heel mooi liedje.

WENDE SNIJDERS: Ja. Maar later is een vrouw ooit naar mij toegekomen nadat ik een show had gespeeld in Eindhoven, ik weet dit allemaal nog best wel precies, dat zij naar mij toekwam en dat ze zei: ‘Ja ik was achttien toen jij in Afrika woonde en zes was, en ik werkte op de Amerikaanse ambassade.’ En zij had op haar kamer allemaal platen die ze draaide. En wij gingen één keer in de twee weken naar de Amerikaanse ambassade om in het zwembad te zwemmen en zij zei: ‘Jij wilde niet zo veel zwemmen, maar je wilde heel graag de hele tijd naar mijn kamer om platen te luisteren en daar wilde je alleen maar Kate Bush liedjes horen’.

ERNST-JAN PFAUTH: Echt waar?

WENDE SNIJDERS: En dat herinner ik mij niet.

ERNST-JAN PFAUTH: En toen was je dus zes…

WENDE SNIJDERS: Zes, zeven ja.

ERNST-JAN PFAUTH: Inmiddels waren jullie van Indonesië naar Afrika verhuisd. En daar, zonder dat je het je kan herinneren wilde je blijkbaar al heel veel van Kate Bush horen op de Amerikaanse ambassade. Goh wat een romantisch verhaal zeg.

WENDE SNIJDERS: Haha ja vind ik ook! Maar ik kan het me niet eens herinneren. Maar ik weet wel, volgens mij op mijn vierde, toen zou ik een liedje zingen en dat durfde ik dan niet, en ik weet nog wel dat ik daar heel verdrietig over was dat ik dat niet gedurfd heb. Het was gewoon best wel… Ik voel me best wel gezegend zeg maar, want ik ken best wat mensen die allemaal maar zoeken wat ze moeten met hun leven en wat ze allemaal moeten kiezen enzo. En ik heb die vraag eigenlijk maar weinig gehad.

Iemand anders kreeg de hoofdrol en toen ben ik opgestaan en heb ik gezegd: ‘Maar ik moet die hoofdrol hebben.’ En toen heb ik die hoofdrol gekregen.

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Wanneer stond je voor het eerst op een podium? Want op je vierde durfde je het nog niet. Wanneer durfde je het wel, te zingen op het podium?

WENDE SNIJDERS: Ik moet dat navragen want ik weet dat niet precies. Maar ik weet wel dat geloof ik… Ik denk dat ik tien was, toen bestond de lagere school 75 jaar, of 750 jaar, iets daartussen.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik denk dat eerste haha.

WENDE SNIJDERS: Haha ja. En toen werd er een soort musical opgevoerd en er was altijd een geit op school en die geit die was gestorven ofzo. Mijn moeder schreef ook met een groepje allemaal van die nummers en toen heb ik het nummer van de geit gezongen.

ERNST-JAN PFAUTH: Een ode aan de geit gebracht.

WENDE SNIJDERS: Aan een stervende geit. En op mijn twaalfde deed ik mee aan de schoolmusical.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is met een hele groep toch?

WENDE SNIJDERS: En ergens schaam ik me er echt heel erg voor, maar ik ga het toch vertellen: Toen werden de rollen uitgedeeld, en toen kreeg iemand anders de hoofdrol en toen ben ik opgestaan en heb ik gezegd: ‘Maar ik moet die hoofdrol hebben.’ En toen heb ik die hoofdrol gekregen.

ERNST-JAN PFAUTH: Echt waar?

WENDE SNIJDERS: Omdat ik echt zo uitlegde van ‘hier om, om deze redenen moet ik die hoofdrol hebben’.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat voor argumenten waren dat dan?

WENDE SNIJDERS: Dat weet ik niet meer maar ze waren wel vrij overtuigend.

ERNST-JAN PFAUTH: Inhoudelijke argumenten?

WENDE SNIJDERS: Inhoudelijke argumenten. Nou gewoon dat ik echt vond dat ik dat beter kon.

ERNST-JAN PFAUTH: Haha wauw! Waarom schaam je je daar nu voor?

WENDE SNIJDERS: Omdat ik dat heel… Dat is super niet sociaal. Het is een kindermusical.

ERNST-JAN PFAUTH: Misschien heb je de zangcarrière van het andere kind voor altijd geknakt.

WENDE SNIJDERS: Geknakt ja!

ERNST-JAN PFAUTH: Een offer voor jouw carrière.

WENDE SNIJDERS: Ja. Ik weet niet. Ik was gewoon al super ambitieus denk ik.

ERNST-JAN PFAUTH: En hoe vond je het om op het podium te staan die eerste jaren, in je tienertijd eigenlijk?

WENDE SNIJDERS: Ja spannend wel, want The Man with the Child in His Eyes is de eerste keer dat ik echt… Op de middelbare school was de ‘Bright Music Night’, en daar ben ik eigenlijk alleen maar voor naar die school gegaan, het Christelijk Lyceum.  Mijn broer zat daar ook, mijn broer is twee jaar ouder, en die speelde daar gitaar. Ik vond dat zo stoer. En dat was een podium in de aula, en in mijn hoofd was die aula… Ik ben daar later nog geweest, en dat is altijd zo, dat je denkt ‘wat is dit klein!’. Maar het was voor mij echt stadion groot.

ERNST-JAN PFAUTH: De arena.

WENDE SNIJDERS: Ik dacht echt dat het een huge podium was! En daar zong ik voor het eerst. Voor mijn gevoel was dat mijn eerste echte optreden. En ik weet ook nog dat ik zó zenuwachtig was en dat ik gevraagd had of er iemand in de coulissen wilde staan omdat ik bang was dat ik zou flauwvallen. Maar ik weet ook nog wel dat ik echt heel veel moeite had gedaan om me goed aan te kleden en ik vond dat zo spannend. Dat weet ik nog wel, dat ik eigenlijk de hele tijd dacht: ‘Ik moet overgeven’.

ERNST-JAN PFAUTH: En dat vond je niet ontmoedigend dat je zo zenuwachtig was? Dat je dacht ‘dit is niet voor mij als ik het zo eng vind’?

WENDE SNIJDERS: Nee, ik vond het denk ik meteen verslavend.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat vond je daar zo verslavend aan?

WENDE SNIJDERS: Nou omdat er echt iets van je gevraagd wordt. En ik vind het fijn om uitgedaagd te worden en ik vind het fijn om te denken: ‘Oh, dit is dus iets waar ik moeite voor moet doen’.

ERNST-JAN PFAUTH: En hoe was jouw middelbareschooltijd? Want inmiddels was je familie terugverhuisd naar Nederland. Vanaf je tiende ongeveer woonde je in Zeist toch? Hoe was het leven daar voor jou?

Ik was zó zenuwachtig dat ik gevraagd had of er iemand in de coulissen wilde staan omdat ik bang was dat ik zou flauwvallen.

Wende Snijders

WENDE SNIJDERS: Nou, veel bos, dus dat was anders dan in Afrika. Als ik soms terugdenk aan Afrika is het een soort één grote warme leegte, weet je wel. Het was niet een soort Lion King met overal dieren die rondliepen. Nee, het was heel kaal, the middle of nowhere, warm, niks. 

En Zeist is heel bosrijk en ja best wel aangeharkt en een tennisclub en een hockeyclub, dus dat is zo anders. Dus ik denk wel dat ik daar best wel tijd nodig had om te acclimatiseren. En om mijn weg in de groep te vinden, want die mensen die woonden al de hele tijd bij elkaar in de straat en die knikkerden met elkaar en die hadden al jaren met elkaar verstoppertje gedaan. Dus ik vond dat best wel moeilijk om daar in te komen.

ERNST-JAN PFAUTH: En vond je je middelbareschooltijd in Zeist saai?

WENDE SNIJDERS: Nee, want in Afrika was het echt van daar moest je jezelf maar weten te vermaken. Ik woonde drie jaar op een compound waar zeven huizen stonden en voor de rest niks.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is wel saai ja.

WENDE SNIJDERS: Ja nouja, saai. Je leert jezelf wel… Ik kan mij prima vermaken. Ik ben er heel dankbaar voor, omdat ik het woord ‘saai’ eigenlijk niet ken.

ERNST-JAN PFAUTH: Grappig, omdat je dus hebt geleerd om je in het hele kleine wereldje van een compound altijd jezelf te vermaken.

WENDE SNIJDERS: Ja dus bijvoorbeeld de hele lockdown, natuurlijk even los van hoe afschuwelijk allemaal, maar ik heb me nul verveeld.

ERNST-JAN PFAUTH: Jij dacht ‘dit ken ik uit mijn jeugd’. Het klinkt wel alsof je er dus iets belangrijk hebt geleerd namelijk jezelf vermaken, en iets uit je creativiteit te halen.

WENDE SNIJDERS: Ja totaal. Weet je en er wordt dan gezegd ‘als je creatief bent…’ en dat is echt zo, ‘de tijd die je moet vrijmaken in je week of in je leven, om echt het nulpunt te hebben is zo belangrijk.’ En het vertrouwen dat daar van alles en nog wat komt wat de moeite waard is om een beetje mee rond te klooien, daar ben ik zo dankbaar voor dat ik dat zo vroeg voor mijn kiezen kreeg.

ERNST-JAN PFAUTH: Je had een soort handleiding kunnen maken in de lockdowntijd.

WENDE SNIJDERS: Ja: ‘Vertrouw, zit stil en…’, weet ik veel, ‘kijk wat er komt’.

ERNST-JAN PFAUTH: En hoe kijk je terug op je middelbareschooltijd?

WENDE SNIJDERS: Nou ik vond dat best wel hard werken. Het is best wel een systeem waarin je een soort van voorbereid wordt voor iets wat mij eigenlijk niet zo interesseerde. En ik dacht wel: ‘Hoe eerder ik hier weg ben, hoe beter.’ Dus voor mij was blijven zitten, het gewoon dan maar een beetje laten hangen, ik dacht: ‘Dat gaat me alleen nog maar langer duren.’ Ik wilde of naar Amsterdam of naar New York, ik wilde weg. Dus ik dacht ‘ik moet gewoon heel erg mijn best doen en dan ben ik zo snel mogelijk weg hier.’

ERNST-JAN PFAUTH: En los van zo snel mogelijk wegkomen, hoe bereidde je je voor op die carrière die je voor je zag? Voor op het podium staan?

WENDE SNIJDERS: Nou ja, eh, ik deed best wel veel. Ik had pianoles, ik had gitaarles, ik deed die vooropleiding aan de Theaterschool in de weekenden. Ik had zangles, ik had dansles, ik deed moderne dans en klassieke dans.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat een schema joh. Was je gewoon altijd weg?

Ik wilde of naar Amsterdam of naar New York, ik wilde weg. Dus ik dacht ‘ik moet gewoon heel erg mijn best doen en dan ben ik zo snel mogelijk weg hier.’

Wende Snijders

WENDE SNIJDERS: Ja en ik hockeyde er ook nog naast.

ERNST-JAN PFAUTH: Wauw.

WENDE SNIJDERS: En ik zat bij de toneelvereniging. Het was echt wel te gek. Ook wel echt heel veel.

ERNST-JAN PFAUTH: En je deed je huiswerk gewoon braaf. Je had gewoon een zestig uur durende week.

WENDE SNIJDERS: Ja ik zag Oprah en dat was het.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat was het enige moment van ontspanning, bedoel je?

WENDE SNIJDERS: Ja. Nou, ik had gewoon heel veel energie. Ik heb ook nog wel gedronken geloof ik, ik heb ook nog wel in een kroeg gezeten. Dus ja, ik denk soms zo wel eens echt met die telefoon raak ik soms meer tijd kwijt. Als ik dit nu zo zeg: Ik was gewoon de hele tijd bezig.

ERNST-JAN PFAUTH: En bij zangles, had je zangdocent gelijk zoiets van: ‘Hier zit talent in’?

WENDE SNIJDERS: Nee, totaal niet. Ik had dus Kate Bush gehoord op mijn elfde en toen wilde ik zangles. En toen heb ik daar enorm om gezeurd en toen was er geen zanglerares, er was één zanglerares en die zei: ‘Ze kan nog geen zangles hebben want ze is nog te jong.’ En toen heb ik nog langer zitten zeuren en toen zei ze ‘nou kom maar langs’ en als ik terug zou fietsen dan zou ze zeggen of ik mocht zingen.

ERNST-JAN PFAUTH: Dan zou ze je ouders bellen ofzo?

WENDE SNIJDERS: Ja. En het verhaal gaat dus dat ze de deur opendeed en dat ik zo graag wilde zingen dat ik gewoon meteen toen de deur open ging begon te zingen, om te bewijzen dat ik het echt kon.

Een normale negentienjarige gaat de kroeg in. Ik niet, ik ging Simon Carmiggelt lezen. In de weekenden ging ik naar huis en ik had ook heel erge acné, dus ik durfde helemaal niet naar buiten. 

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Haha echt, wat heerlijk.

WENDE SNIJDERS: En toen fietste ik terug en toen heeft ze mijn moeder gebeld en toen heeft ze gezegd: ‘Nou ze kan niet zó goed zingen maar ik ken eigenlijk niemand die zo graag wil zingen’.

ERNST-JAN PFAUTH: Je hebt de auditie voor je zangles gewoon op effort gehaald.

WENDE SNIJDERS: Ja en het goeie was, Nettie van der Toorn [zangdocent], die begreep heel goed dat ik het gewoon heel leuk vond om te zingen. Dus die heeft mij helemaal niet technisch onderlegd, die heeft mij gewoon… Het was denk ik van mijn elfde tot mijn zestiende, pas op mijn zestiende begon ik echte zangles te krijgen. Maar Nettie heeft me allemaal liedjes geleerd. Elke week zat ik daar en leerde ik allemaal liedjes.

ERNST-JAN PFAUTH: En vond je het niet moeilijk om op je elfde te horen dat je niet kon zingen?

WENDE SNIJDERS: Dat hebben ze mij helemaal niet verteld, dat heb ik later pas gehoord. Mijn moeder zei gewoon: ‘Nou je hebt zangles, gefeliciteerd’.

ERNST-JAN PFAUTH: En wanneer heeft je moeder dat dan verteld?

WENDE SNIJDERS: Echt veel later. Volgens mij pas toen ik dertig was ofzo.

ERNST-JAN PFAUTH: Toen dacht ze: ‘Nu kan het wel’.

WENDE SNIJDERS: Toen ik de Edison gewonnen had: ‘Maar weet je…!’ Haha nee, nee. Ik weet niet wanneer ze dat verteld heeft. 

ERNST-JAN PFAUTH: En de Kleinkunstacademie, daar ging een wereld voor je open.

WENDE SNIJDERS: Ik had auditie gedaan in Hilversum bij het Conservatorium, dat zat daar toen nog. En toen was ik technisch niet onderlegd genoeg. Dus ze zeiden: ‘Je mag naar de vooropleiding’. En ik had auditie gedaan bij de Kleinkunstacademie en daar was ik aangenomen. Dus toen dacht ik: ‘Maar ik wil toch zingen, dansen en acteren, dus dat is dan denk ik wel mijn opleiding.’ Dus toen ben ik daar op mijn negentiende naartoe gegaan, of achttiende, en dat was echt een druk schema. Je zit daar wel echt 50 à 60 uur per week op school.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat was jij gewend.

WENDE SNIJDERS: Ik dacht: ‘Dit ken ik!’ En dan zonder wiskunde en al die rotvakken. Nee ik vond het fantastisch. Op kamers wonen vond ik best wel intens en ook nog in Amsterdam. En nu pas kan ik dat zien, met terugwerkende kracht, denk ik: Ik was gewoon totaal overweldigd en heb me alleen maar op die school gestort en een normale negentienjarige gaat de kroeg in. Ik niet, ik ging Simon Carmiggelt lezen. Het is echt waar. Ik ging naar school en ’s avonds las ik Simon Carmiggelt. En in de weekenden ging ik naar huis. En ik had ook heel erge acné, dus ik durfde helemaal niet naar buiten. 

Het was helemaal niet soepel en ik was helemaal niet goed op school. Ik ben mijn eerste jaar ook blijven zitten en ik heb later rapporten gelezen van mijzelf, dat was echt niet goed. Echt dat mensen dachten van ‘we weten eigenlijk niet zo goed wat we met haar aan moeten’.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat was er dan niet goed aan wat je deed? Want het klinkt alsof je er al jaren met een enorme toewijding mee bezig was.

WENDE SNIJDERS: Nou ik denk dat ik echt een soort van shock kreeg. Ik had nooit in een creatieve wereld gezeten en ineens was iedereen creatief en artistiek. In één keer dacht ik ‘iedereen is hier…’, weetjewel. Dus dat vond ik ook wel spannend. En het was best wel streng en je werd best wel hard aangepakt. Het was niet met fluwelen handschoenen dus je werd ook best wel afgebroken en ik denk dat ik ook van mezelf best wel onzeker was. Ik wist wel wat ik wilde maar ik had helemaal geen zelfvertrouwen of ik het kon.

Ik had echt niet zo heel veel vertrouwen dat ik het kon en ook niet wat ik wilde worden. Het was een schooltijd waarin ik heel erg gezocht heb.

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Het klinkt niet alsof je… Niet dat ik dit beeld van je had, maar stel dat ik het beeld van jou had gehad alsof het ontstaan van je carrière een rechte lijn omhoog was, altijd al een enorm talent waar iedereen voor in katzwijm viel. Zo klinkt het niet. Je werd gestimuleerd door je moeder, dat is natuurlijk heel fijn, maar verder kreeg je dus best wel veel tegenslagen. Afgewezen bij het Conservatorium, en moeilijk eerste jaar in een creatieve omgeving. 

WENDE SNIJDERS: En ik deed bijvoorbeeld elk jaar die Bright Music Night op de middelbare school, dus aan het einde was ik daar wel een beetje de ster snap je. Dus ik had daar wel zo mijn strepen verdiend. Maar ja, dan ga je naar Amsterdam en dan kom je erachter dat er wel meer mensen zijn die iets kunnen, en beter.

ERNST-JAN PFAUTH: Heb je overwogen te stoppen?

WENDE SNIJDERS: Ja. Ja. Omdat ik het best wel intens vond. En ik wist niet of ik het zou kunnen. En ik raakte best wel mijn plezier kwijt, en mijn anker ook kwijt. Ik weet ook nog met zingen, mijn hele plezier met zingen was eigenlijk weg. En toen was er geloof ik in het derde jaar, dus toen zat ik in het tweede jaar, was er een workshop met Paul de Leeuw en toen deed ik een liedje, Natural Woman van Aretha Franklin, waar ik heel veel succes mee had gehad op de BMN [Bright Music Night], en dat was voor het eerst dat ik dacht: ‘oh ik krijg het weer terug’. En Paul de Leeuw vroeg aan mij: ‘In welk jaar zit jij?’. En toen zei ik ‘in de tweede’ en toen zei hij ‘oh het komt wel goed’. En ik herinner me dat ik naar huis fietste en in één keer dacht: ‘Oh, misschien komt het wel goed!’ en daarna ging het weer helemaal alle kanten op. 

Ik had echt niet zo heel veel vertrouwen dat ik het kon en ook niet wat ik wilde worden. Dus weet je, kleine lichtpuntjes binnen eigenlijk een schooltijd waarin ik heel erg gezocht heb. En toen deed ik met de Concours de la Chanson, in het derde jaar. En in die tijd had ik een vriendje in Enschede, en die had in de krant een heel klein advertentietje gezien van Concours de la Chanson, en de finalisten mogen in De Kleine Komedie staan. Ik dacht: ‘De Kleine Komedie!’, dat was voor mij zeg maar…

ERNST-JAN PFAUTH: Je naam en letters op de gevel.

WENDE SNIJDERS: Nou, maar dat podium! Weet je wel. Ik ga dus heel erg aan op podia. En toen heb ik daar een liedje voor geschreven en toen deed ik La Foule, omdat ik Carice van Houten dat had zien zingen. En die zat bij ons op school en dat vond ik dan heel mooi. En toen won ik dat. En dat was voor mij een totale verbazing. Dat ik dacht: ‘What the fuck? Oh dít wil ik dus doen!’. 

Het werd in één keer een soort heel helder, van ‘oh dít ga ik doen!’. Ik weet nog wel dat de leraren op school, die hadden zoiets van: ‘Heb je dat gewonnen? Serieus?’ Ik had ook niet verteld dat ik daaraan mee had gedaan ofzo. Ik had het aan niemand verteld. Dus het was een soort, binnen die Kleinkunst[academie] waar het een soort moeilijk was, probeerde ik mezelf terug te vinden, en wat ik nou eigenlijk precies wilde.

ERNST-JAN PFAUTH: Grappig, want één van de dingen die ik niet helemaal rond kreeg in de voorbereiding van het interview was: Waar komen de chansons op je pad? Maar het is eigenlijk een soort reddingsboei geweest.

WENDE SNIJDERS: Nou het was ook een best pragmatisch ding. We kregen het vak…

ERNST-JAN PFAUTH: Een reddingsboei is een pragmatisch iets toch?

Ik weet nog wel dat de leraren op school, die hadden zoiets van: ‘Heb je dat gewonnen? Serieus?’

WENDE SNIJDERS: Ja, dat is waar. Nee dat is zeker waar, zeer pragmatisch. Maar er was een les, dat heette ‘gezongen repertoire’, en dat kregen we. En Joost Prinsen gaf ons daar les in en Jenny Arean gaf ons daar les in. Ik heb echt van waanzinnige mensen les gehad. En gezongen repertoire was was eigenlijk het vertellende lied. Dus van Cole Porter, tot aan Annie M.G. Schmidt, tot aan Randy Newman, [Jacques] Brel, weet je wel. Het chanson is namelijk geen taal maar een genre. Het dorp is evengoed een chansons als Ne me quitte pas van Brel. En J’aime j’ aime la vie is geen chanson. Kunnen we het later over hebben.

ERNST-JAN PFAUTH: Ja als het Frans is, is het niet automatisch een chanson, even plat gezegd.

WENDE SNIJDERS: Even plat gezegd ja. En iedereen putte uit een arsenaal aan oeuvre, en ik kon natuurlijk Frans. Dus ik kon lekker gewoon… weetje wel. Ik had een hoekje gevonden waar niemand die liedjes…

ERNST-JAN PFAUTH: Want jij zat op die Franse school vroeger dus jij had bagage.

WENDE SNIJDERS: Ja ik had in Afrika op de Franse school gezeten dus ik kon allemaal liedjes doen die andere mensen niet deden. Dus qua originaliteit dacht ik wel ‘yes!’. En het pakte mij heel erg. Ik heb altijd heel erg van poëzie gehouden en ik las heel veel. Dus ik vind een verhaal heel mooi. En een chanson in de kern is een kleine miniatuur vertelling. Een kleine film in een liedje. En dat vond ik in die chansons. En dat ik dacht: ‘dat is dus én zingen én een verhaal vertellen, én performen’. 

En het is Frans waar ik me heel erg thuis in voelde want het grappige is dat als ik Frans spreek, dat is de taal waarin ik heb leren schrijven, dat is taal waarin ik mijn eerste vrienden echt gemaakt heb, weet je wel. Dat is voor mij echt een thuistaal. Dus dat was voor mij heel comfortabel. Ik vond het helemaal niet fijn om in het Nederlands te zingen.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus je hebt eigenlijk op die Kleinkunstacademie enorm gezocht, je overwoog zelfs te stoppen, met lichtpuntjes dat bijvoorbeeld een Paul de Leeuw die zei ‘het komt wel goed met jou’, maar op het moment dat je dus de chansons tegenkwam vond je én bij jezelf ‘dit klopt, dit is dicht bij me’, én je kreeg meteen de erkenning.

WENDE SNIJDERS: Ja, zo moeilijk als al die andere dingen gingen, was dit in één keer dat ik dacht ‘dit is bijna te makkelijk’. Ik wist ook van ‘ik kan dit’.

ERNST-JAN PFAUTH: En daarna was het in één rechte lijn omhoog.

WENDE SNIJDERS: Nee helemaal niet.

ERNST-JAN PFAUTH: Haha jammer!

WENDE SNIJDERS: Jammer hè? Nou ja, ook niet, want ik vind…  Ik bedoel, ik ben nu wel enigszins verbonden met S10 en Froukje en die zijn twintig en eenentwintig, en nou ja ik zat [op die leeftijd] nog dik in de acné en ik was echt aan het zoeken, en zij moeten voor 5000 mensen optreden en zich verhouden tot miljoenen streams, en ik vind dat creatief gezien best wel een uitdaging. Dus voor mij dat ik eigenlijk, zelfs ook na mijn afstuderen, daar komen we vast zo ook op, heb ik enorm… ik heb heel hard moeten vechten en heel hard heb moeten werken en dat vond ik helemaal te gek. Dat heeft mij zo’n goed fundament gegeven en zo’n zelfvertrouwen gegeven over mijn vak.

ERNST-JAN PFAUTH: Want waar zat het gevecht dan nog in nadat je had ontdekt dat de chansons voor jou waren?

WENDE SNIJDERS: Nou ik ging gewoon naar school en ik moest ook goed zijn op school. Het was meer gewoon een lichtpuntje. Een soort van in dat bos zoeken wat ik aan het doen was, was het een soort aanwijzer van ‘ja dit is een goede richting’. En dat gaf mij wel het idee van ik ben in eerste instantie een uitvoerder en een componist want ik schreef heel veel muziek. Dus toen ik dat gewonnen had dacht ik ‘daar moet ik me op gaan toespitsen’.

Ik heb heel hard moeten vechten en heel hard moeten werken en dat vond ik helemaal te gek. Dat heeft mij zo’n goed fundament gegeven en zo’n zelfvertrouwen gegeven over mijn vak.

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Ja want je had natuurlijk ook gewonnen met een zelfgeschreven liedje.

WENDE SNIJDERS: Ja. En in het vierde jaar moet je dan stage lopen en toen heb ik stage gelopen bij Foxtrot als swing. En dat is echt best wel hardcore ook. Foxtrot was een musical met Paul de Leeuw en Jenny Arean, Carice van Houten, Sanne Wallis de Vries, het was echt een soort van sterrencast. En een ensemble van negen mensen – ensemble is dan zeg maar de achtergronddansers. 

En het was negen maanden. Dat speelde vijf maanden in het oude Luxor, en vier maanden was dat op tour. Dus dat was echt een tour van negen maanden. De eerste vijf maanden in het oude Luxor ben ik swing geweest, wat zoveel betekent dat ik alle rollen van het ensemble moest kennen, maar niet optrad, pas als iemand ziek werd. Dus ik moest me vijf dagen in de week naar het oude Luxor, naar Rotterdam, in kostuum, en niet optreden. En drie keer zijn er mensen ziek geworden.

ERNST-JAN PFAUTH: Drie keer in vijf maanden, wauw.

WENDE SNIJDERS: Ja, daarna was er een wisseling van de cast en zat ik vier maanden op die tour, en tourde ik als lid van het ensemble. Dus echt drie rijen achter tappend, weet ik veel, tappend en dansend en zingen. 

ERNST-JAN PFAUTH: En wat heb je geleerd van die ervaring, van die stage?

WENDE SNIJDERS: Nou, de vlieguren die je maakt door negen maanden lang daar in zo’n situatie te zitten. Ook dat ik dacht: ‘dit wil ik nooit meer’, omdat ik dacht van ‘ik wil echt mijn eigen ding doen’. Door zo afgeknepen te zijn, dacht ik… En ik voelde me niet afgeknepen, kom op, als je de hele tijd met Jenny Arean en met Paul de Leeuw en met dat soort mensen bent, dan leer je door te kijken.

ERNST-JAN PFAUTH: Het was een omgeving waar je heel veel kon leren, maar je dacht ook: ‘Ik wil niet in een groep of in een musical zo afhankelijk zijn van anderen, ik wil gewoon mijn eigen plan trekken.’

WENDE SNIJDERS: Ja ik wil mijn eigen show maken. Daar is eigenlijk, binnen dat jaar ben ik ook, dat had ik toen ook gezegd tegen de schoolleiding, en die zeiden van ‘nou dan moet je eerst tien minuten maken, in een lokaal’. Dus toen heb ik tien minuten gemaakt, daar heb ik mensen bij uitgenodigd, en dan was het ‘nu moet je daar vijftien minuten van maken’ en ‘nu moet je er twintig minuten van maken’. En toen kon ik de Kleine Bellevue bij een soort van ding wat dan georganiseerd was door de Kleinkunstacademie, dat mensen daar hun dingetjes mochten presenteren. Toen heb ik daar twintig minuten gestaan en ik had aan het orkest van Foxtrot gevraagd ‘wie wil er met mij meedoen?’ en toen waren er drie strijkers, dus een violist en een cellist en nog een violist, die zeiden ‘nou wij willen wel meedoen’.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat lief.

WENDE SNIJDERS: Ja echt tof. En toen heb ik de pianist van Foxtrot gevraagd ‘wil je meedoen?’, toen had ik dus vijf muzikanten, twintig minuten, én ik had iedereen uitgenodigd. Dus ik had Paul de Leeuw uitgenodigd, en Jenny Arean, en die zijn allemaal komen kijken. En ik weet nog, het was 24 februari 2002, dát was voor mij echt een overwinning, omdat toen waren mensen echt zo ‘wow, dit is goed zeg!’ en toen dacht ik ‘volgens mij is dit echt goed, volgens mij kan ik dit écht goed’.

ERNST-JAN PFAUTH: Je geloofde het ook zelf van ‘dit is het’.

WENDE SNIJDERS: Ja en ik weet nog wel dat ik toen naar de school ben gegaan en zei: ‘Dit ga ik doen. Ik ga met mijn eigen show, ik ga gewoon eigen shows maken in het theater en daar wil ik mee touren. Dat is wat ik ga doen.’

ERNST-JAN PFAUTH: Dus eigenlijk was dat Concours wat je won meer een soort aanmoediging, maar 24 februari 2002, dat was het keerpunt.

Ik heb nooit chansonnière willen zijn, maar nu denk ik: Ik ben nu nog steeds chansonnière. Ik heb een enorme haat-liefde verhouding gehad met dat label.

Wende Snijders

WENDE SNIJDERS: Ja. En je hebt met het eindexamen altijd de eindexamenvoorstelling, dat is nogal een ding. En dan komen er meestal ook echt mensen uit het vak kijken enzo. Maar dat ging helemaal mis bij ons. Dus die voorstelling hebben wij nooit gespeeld, want die werd afgelast op het einde. En toen mocht ik toch op het ITS fesitval dertig minuten mijn eigen voorstelling doen.

ERNST-JAN PFAUTH: En wat speelde je daar, in de Bellevue en op het ITS-festival? Waren dat dan chansons die je daar deed?

WENDE SNIJDERS: Ja en kijk eigenlijk is er toen een misverstand ontstaan, maar daar heb ik alles zelf aan gedaan, namelijk dat ik de chansonnière wilde zijn.

ERNST-JAN PFAUTH: Zo werd je voorgesteld aan het land,

WENDE SNIJDERS: Ja ik heb mezelf ook echt zo voorgesteld. Maar in die zin.. ja het is best wel een lang en ik vind het best wel een leuk verhaal, maar kijk: Ik heb nooit chansonnière willen zijn, maar nu denk ik: Ik ben nu nog steeds chansonnière, alleen het woord daar zitten zoveel nostalgische, melancholische en suffige labels aan dat pas toen ik Stromae zag, begreep ik ‘oh dat kan ook zo’. Dus ik heb een enorme haat-liefde verhouding gehad met dat label. En ten tweede heb ik nooit geweten dat eigenlijk mijn eerste gooi was dat ik in een gat sprong waarvan ik helemaal niet wist dat dat een gat was. Namelijk, ik wist helemaal niet dat die wereld van de chansons, vanuit de jaren ’50 en ’60, met [Jacques] Brel, [Georges] Brassens, [Édith] Piaf, [Juliette] Gréco, [Léo] Ferré, [Charles] Aznavour, dat dat een bepaalde soort van community was in Nederland.

ERNST-JAN PFAUTH: Daar houden wij Hollanders blijkbaar van.

WENDE SNIJDERS: Ik had géén idee. Voor mij waren dat allemaal verhalen over het leven. Over eenzaamheid, en over de liefde, en over de dood en over de duivel en over leegte en over geilheid en over de vreugde van weet ik veel, verliefd worden. En al die verhaaltjes vertellen, dacht ik ‘oh ik moet dat conceptualiseren, anders wordt het vaag’. 

Ik had denk ik een goed instinct had dat ik dacht als ik een show maak – voor mij is een concept namelijk een geheel ervaring – dan moet dat één en dezelfde kleur zijn. Dus ik ga gewoon de chansons uit de jaren ’50 en ’60 doen, en daar ga ik een hele show omheen maken met foto’s van Ed van der Elsken, en foto’s van Jean Lucif, maar ik componeer daar ook iets van muzikale film bij en ik doe iets van Koyaanisqatsi bij. En ik had iemand van het Rietveld gevraagd om dan een decor te maken, snap je. Maar ik dacht die chansons dat maakt het helder.

ERNST-JAN PFAUTH: Oké, dus je had chansons uit twee decennia, je had er straatfotografie bij gedaan, je had een beetje Philip Glass, je had echt een heel concept neergezet. En hoe kwam het over op de community waar je het over had?

WENDE SNIJDERS: Die dachten: ‘Oh, zij heeft een rood jurkje aan, die is met een strijkorkest en een accordeon, zij is gewoon de nieuwe Liesbeth List!’. En ik dacht: ‘nee, ik wil dat helemaal niet.’ Later begreep ik dat ik dat niet wilde snap je, maar toen het allemaal succes had, dacht ik: ‘Yes, ik ga nu gewoon mijn eigen shows maken!’. 

Pas later werd het een probleem omdat het een succes was en ik dacht in één keer van: ‘oh maar nu ben ik dát’, terwijl dat nooit mijn uitgangspunt was. Maar goed, in ieder geval, er zit nog een heel verhaal bij dat ik… Het was helemaal nog niet zo makkelijk om die show te maken, want ik heb die show 24 februari gespeeld, ik heb op ITS-festival gespeeld en dan deed ik La Foule, ik deed Padam [Padam], ik deed Ne me quitte pas, ik deed eigenlijk gewoon alle iconische nummers omdat dat waanzinnig… Dat is eigenlijk net als een acteur, die denkt ik ga Hamlet spelen, ik ga Medea spelen, ik ga Richard III pelen. Waarom? Omdat die teksten super goed zijn, dramaturgisch zit het fantastisch in elkaar. Ik bedoel, het bedje is gespreid, snap je.

‘Oh, zij heeft een rood jurkje aan, die is met een strijkorkest en een accordeon, zij is gewoon de nieuwe Liesbeth List!’. En ik dacht: ‘nee, ik wil dat helemaal niet.’

Wende Snijders

En ik had me natuurlijk op de Kleinkunst[academie] enorm ontwikkeld als performer, en dat is als performer het allerleukste om te doen. En ik had ook de autobiografie van [Maria] Callas gelezen, nou die deed ook alleen maar Tosca weet je wel, de grote dingen. Dus ik dacht van ‘ja dat moet je doen’. Het repertoire dus wat Nina Simone ook doet, wat Sinatra ook doet..

ERNST-JAN PFAUTH: Ja het American songbook…

WENDE SNIJDERS: En dat zet je dan naar je eigen hand. Dat was het idee. En zo ben ik afgestudeerd, bij het ITS-festival met die dertig minuten. En toen dacht ik: ‘nou dan ga ik dat nu opzetten’. Maar ik had geen geld en ik had geen management en ik had geen impresario, en ik had geen fakking flauw benul hoe ik dat moest doen. Ik wist wel: ik moet wel in ieder geval iets van werk hebben, en toen deed ik bij Zapp drie maanden een toneelstuk van Peter Pluimakers, weet ik veel, één of ander klein rolletje deed ik daar. En ik was aangenomen bij het Nationaal Toneel om in het ensemble te zitten van een toneelstuk wat negen maanden zou touren. Het was echt een figurantenrol, minder dan ‘de koning is er, leve de koning.’

ERNST-JAN PFAUTH: Wederom! Maar puur voor het geld.

WENDE SNIJDERS: Ik dacht: ‘Dan heb ik gewoon negen maanden geld, en dan kan ik ondertussen dat gaan opzetten en nadenken hoe ik dat dan moet doen’.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is toch best wel vet want je wist naar aanleiding van Foxtrot ‘dit wil ik absoluut niet’, en toch ging je het weer doen, maar puur omdat je zelf in je hoofd had van ‘dit is functioneel, dit dient een grotere droom’.

WENDE SNIJDERS: Ja. En ik wist echt niet hoe je dat moest doen. Ik wist alleen: volgens mij moet ik een website hebben, ik moet een stichting hebben, en ik moet een impresario hebben en een management hebben.

ERNST-JAN PFAUTH: Waar is de stichting voor nodig? Voor subsidie ofzo.

WENDE SNIJDERS: Ja en ik wist ik moest dat met die vijf muzikanten doen en die moesten mij een factuur sturen, dat moest dan vanuit de stichting gebeuren.

ERNST-JAN PFAUTH: Best intimiderend dit lijstje toch, voor iemand die net van school komt?

Ze zeiden: ‘Wende Snijders heeft niet genoeg talent om het chanson over het voetlicht te brengen dus we geven haar geen geld’.

Wende Snijders

WENDE SNIJDERS: Ja maar wat ik zo mooi vind aan het verhaal van de Beatles dat zij dan een B7 akkoord gingen zoeken, wie hun dan B7 akkoord kon geven en dan ergens in de stad was er een man die hun dat B7 akkoord gaf. En zo was het voor mij ook een soort quest. Dat ik dacht: ‘oké, stichting, go!’. En dan had mijn moeder gezegd ‘dan heb je een notaris nodig’, nou dan ga je, ‘oh dat kost 400 gulden, of euro, ofzo’. Dus het was een soort constante zoektocht van ‘wie gaat dan mijn website maken voor niks?’, ‘hoe ga ik optredens vinden?’, want een impresario krijg je alleen als impresariaten naar optredens komen kijken, maar ik kon nergens optreden want mensen wilden me niet boeken.

Dus ik dacht: ‘Ik moet in Klein Bellevue spelen. Ik moet vijf dagen in Klein Bellevue spelen.’ Dus toen heb ik Jeannette Smit en Steven Peters die daar toen werkten elke dag gebeld en een brief geschreven, die brief hebben ze mij laatst nog toegestuurd, van ‘mag ik eens komen spelen, mag ik alsjeblieft komen spelen?’.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat een hosselaar was je.

WENDE SNIJDERS: Echt een hosselaar. En toen zeiden ze: ‘Stop met bellen, je mag vijf dagen komen spelen.’

ERNST-JAN PFAUTH: Dan hebben we daarna weer rust.

WENDE SNIJDERS: Ja, dus toen had ik dat jaar daarna, ik weet ook nog heel goed, het was 8, 9, 10, 11 oktober 2003, mocht ik die vijf dagen in Klein Bellevue staan. Daar konden 150 man in die zaal, of 100. Nou ik kreeg ik het echt heel warm, omdat ik dacht ‘hoe ga ik in godsnaam publiek vinden?’.

ERNST-JAN PFAUTH: 500 mensen.

WENDE SNIJDERS: Ja en dus ik dacht: ‘ik moet publiciteit vinden’. Dus ik was een stichting aan het opzetten, want ik wilde per sé met die vijf muzikanten… Nou maak jij de rekensom maar, als je 500 man in je zaal hebt en vijf muzikanten, dat is hartstikke duur. En iedereen zei: ‘Ga dan met de pianist’, maar ik zei ‘nee, nee, ik moet het met die vijf muzikanten en ik moet een decor en ik moet..’ weet je wel. Dus ik dacht: ik moet subsidie aanvragen. Dus toen heb ik zelf tien subsidie brieven geschreven, en FPK [Fonds for Podiumkunsten] heeft me toen afgewezen en die brief heb ik ook nog steeds. En die zeiden: ‘Wende Snijders heeft niet genoeg talent om het chanson over het voetlicht te brengen dus we geven haar geen geld’.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat een nare brief!

WENDE SNIJDERS: Echt heel naar, daar hebben ze ook sorry voor gezegd. En wat ook zo was, dat Nationale Theater ging ook niet door. Dat werd afgezegd, ik geloof twee weken van tevoren. Ik weet niet waarom, maar dat ging niet door. Dus toen had ik geen geld en ik had geen geld om die show te maken.

Ik zat op mijn studentenkamer en ik zat zo hard te huilen omdat ik dacht ‘dit komt nooit goed. Ik heb geen geld, ik heb geen publiek, ik heb geen pers, ik heb geen impresario, hoe moet ik dit nou voor elkaar krijgen?’ 

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Dat was dat theater waar je negen maanden lang mee zou gaan.

WENDE SNIJDERS: Ja.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus je bijbaan was verdwenen.

WENDE SNIJDERS: Mijn bijbaan was verdwenen dus ik heb in een restaurant gewerkt, waar ik ook al tijdens mijn studie werkte. Ik heb geloof ik ergens nog een potje vandaan weten te sjacheren bij de gemeente, ik weet het niet. Het was echt heel idioot.

ERNST-JAN PFAUTH: Hoe voelde je je in die tijd?

WENDE SNIJDERS: Nou wakker. Ik was echt aan het werk en ik kreeg dus maar geen impresario dus toen moest ik een optreden regelen, en die mensen kwamen dan elke keer maar niet kijken. Die beloofden dan te komen kijken en die kwamen dan niet kijken. En toen ben ik zelf theaters gaan bellen, alle theaters gaan bellen van ‘mag ik alsjeblieft optreden’. En toen weet ik nog wel dat de enige persoon die mij echt liefdevol te woord heeft gestaan was de directeur uit Leiden, Bart van Mossel, en die zei: ‘ik vind het echt heel goed dat je dit doet en je moet echt niet opgeven, maar je moet een impresario vinden, want je moet niet zelf naar de theaters bellen.’ Maar ik weet nog wel, en ik zat dus op mijn studentenkamer en ik zat zo hard te huilen omdat ik dacht ‘dit komt nooit goed. Ik heb geen geld, ik heb geen publiek, ik heb geen pers, ik heb geen impresario, hoe moet ik dit nou voor elkaar krijgen?’ 

Maar ondertussen dacht ik: ‘Ja ik moet wel door en ik moet zorgen dat we blijven repeteren en ik moet zorgen dat die arrangementen voor elkaar komen’. Ik dacht ‘als we maar gewoon creatief door blijven gaan, dan komt het vanzelf wel goed.’ En toen had ik een optreden geregeld op school, ik dacht ‘dan maar gewoon terug naar school en vragen of ik daar een optreden mag doen’, en mijn broer weer gevraagd ‘kom nou kijken’, voor de tiende keer. Hij had zoiets van ‘ja ik heb dit nu al zo vaak gezien’. Ik zei ‘je moet komen’ want de vrouw van een impresario, die zou komen kijken, want dat was een vriendin van iemand uit Zeist.

ERNST-JAN PFAUTH: Waar je opgegroeid bent.

WENDE SNIJDERS: Kun je je voorstellen? Niet omdat ik weet je wel, hoge ogen had gegooid, maar omdat er toevallig iemand in Zeist was met een vriendin die zei ‘ga nou even naar dat meisje toe’. Ik was al afgestudeerd hè, van de Kleinkunst[academie]. Dus die kwam toen kijken, Simone van der Waard, ik weet het nog heel goed. En die zei: ‘In De La Mar komt er een ode aan Brel, een hommage aan Brel, daar mag jij optreden’. Toen dacht ik: ‘Yes, dit is mijn kans. Ik moet zorgen dat ik opval’. Want Liesbeth List trad daar op, dat waren best wel… weet je wel. 

En ik dacht toen: ‘Oké, hoe ga ik dit doen? Ik moet iets verzinnen.’ En toen had ik dus iets bedacht, ik ging dan La valse a mille temps doen, wat best wel moeilijk lied van Brel is. Ik dacht van ‘dat is moeilijk en dat is in ieder geval indrukwekkend’. En dan had ik tegen mijn muzikanten gezegd: ‘Wat er ook gebeurt, jullie moeten doorspelen.’

ERNST-JAN PFAUTH: Want je kwam weer met je vijf muzikanten?

WENDE SNIJDERS: Ja die sleepte ik overal mee naartoe. En toen had ik namelijk bedacht, ik vond het zelf dus heel grappig, dat ik dacht van ‘ik ben echt de benjamin en dan denkt iedereen ‘oh ze heeft eindelijk een kans’, en dat je dan op je bek gaat.’ Dus het leek mij heel grappig om dan te vallen.

ERNST-JAN PFAUTH: What the fuck echt waar?

WENDE SNIJDERS: Dus dan op te komen, me heel mooi aan te kleden, en dat ik dan op kwam en dan heel hard zou vallen. En dan op zou staan en dan La valse a mille temps zingen. Want ik dacht van: Dat is natuurlijk heel grappig, dat iedereen denkt van ‘oh!’ en dat je daarna dan een heel indrukwekkend iets neerzet. En dat die muzikanten van mij, ik had gezegd: ‘doorspelen, doorspelen.’ Dus ik kwam op en ik ging keihard op mijn smoel. Ik vond dit heel grappig.

ERNST-JAN PFAUTH: Je acteerde ook je reactie alsof je echt geschrokken was?

WENDE SNIJDERS: Toen gaf ik een knipoog en toen ging ik dat nummer zingen. Dus toen stond ik heel groot in de krant. En dat vond ik… Toen dacht ik: ‘hè oké ik heb ammunitie’. Toen heeft iemand dat gezien die een documentaire maakte omdat in dat jaar was Brel 25 jaar dood ofzo. En die was een documentaire aan het maken van ‘leeft Brel nog?’. En dat was ook de hoofdredacteur van Barend en Van Dorp. En ik had al de hele tijd gedacht: ‘Hoe kom ik in Barend en Van Dorp?’ Want Barend en Van Dorp was De Wereld Draait Door en die had echt drie miljoen kijkers en ik dacht ‘nou daar ga ik die 500 man publiek wel mee krijgen’.

Die nam contact met mij op en die zei ‘Wil je daaraan meedoen?’. En toen zei ik: ‘Nou ik ga toevallig een maand naar Parijs…’ Echt dikke bluf joh. En toen zei ik: ‘Ik ga naar Parijs en ik ga kijken of ik daar een optreden kan doen en ik wil daar best wel aan meedoen maar dan wil ik niet Brel zingen maar wel mijn eigen liedjes zingen.’ Als ik daar nu aan denk… Ik was gewoon 22 en zo veel noten op mijn zang!

Ik wilde zó graag. Ik kan niet uitleggen hoe graag ik wilde. En nog steeds, ik voel dat nog steeds. Dat komt echt voort uit dat ik er zoveel plezier in heb als ik dat zo mag doen.

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Je hebt best wel veel dingen gezegd waar ik nog van bij moet komen.

WENDE SNIJDERS: Ik ook! Het is ook wel echt lang geleden dat ik hieraan gedacht heb, hoe dit ging, want het was ook echt zo intens allemaal.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik vind het zo grappig, we gaan zo door hoor, maar dat je de hele tijd van die kansen hebt, je mag bij dat Brel concert optreden en je mag bij Barend en van Dorp zitten, en dan ga je nog een stap verder. Dus dan ga je bedenken: ‘Hoe kan ik het nog grootser maken? Ik ga me laten vallen, of ik ga eisen dat ik een eigen liedje mag zingen.’

WENDE SNIJDERS: Ja, omdat ik duidelijk wist wat ik wilde.

ERNST-JAN PFAUTH: Ja dat blijkt. En je wist ook dat je dus lef had.

WENDE SNIJDERS: Ik had al die theaters gebeld en al die impresario’s zeiden allemaal ‘nee nee nee’. Ik heb ook best wel veel afwijzing op de Kleinkunst[academie] gehad, dus ik dacht ‘ik moet wel met iets komen want je komt niet zo makkelijk in een theater terecht’. Het is niet omdat ik groot, groter, grootst wilde, maar omdat ik dacht ‘anders mag ik niet touren’.

ERNST-JAN PFAUTH: Je had zwaar geschut nodig.

WENDE SNIJDERS: Ik had ook wel begrepen dat de spoeling dun is. Dus toen ik in die krant kwam, ik had wel gelijk, want daardoor had die hoofdredacteur gedacht: ‘Hé dat is interessant’, en daardoor had hij mij gebeld.

ERNST-JAN PFAUTH: Ja dat snap ik, alleen het risico wat je nam was natuurlijk wel heel groot. Het risico om voor schut te staan bijvoorbeeld.

WENDE SNIJDERS: Ja bijvoorbeeld. Maar ik wilde zó graag. Ik kan niet uitleggen hoe graag ik wilde.

ERNST-JAN PFAUTH: Nou het is redelijk beeldend hoor, wat je vertelt.

WENDE SNIJDERS: En nog steeds, ik voel dat nog steeds. Dat kan ik nu nog steeds voelen van ‘ik wil zó graag’. Ook die zangles, ik wil dit zo graag. En dat komt echt voort ook uit dat ik er zoveel plezier in heb als ik dat zo mag doen.

ERNST-JAN PFAUTH: En Barend en Van Dorp, dat mocht?

WENDE SNIJDERS: Nou het ding was, ik kwam dus tijdens het gesprek erachter dat hij… Hij maakte dus een documentaire over Brel, en tijdens dat gesprek kwam ik erachter dat hij hoofdredacteur was van Barend en Van Dorp. Toen dacht ik: ‘Zo!’. Toen zei ik: ‘Ik doe mee, als ik vijf dagen vóór 8 oktober in Barend en Van Dorp mag zingen.’ Nou, ik bedoel dat was Barend en Van Dorp op zijn hoogtijdagen, kun je je voorstellen? Totaal onbekend, en die zegt ‘ik wil gewoon daar zingen’. Ik denk dat hij dacht ‘oké, die meent het’. Ik meende het ook echt, ik wilde het gewoon echt goed doen. En toen heb ik in Barend en Van Dorp gezongen en toen was het natuurlijk binnen drie seconden uitverkocht, want ja zo ging dat. Dat programma had zoveel macht in die zin. En die show hadden we gewoon goed gemaakt.

ERNST-JAN PFAUTH: Jij kwam wel echt voor jezelf op.

WENDE SNIJDERS: Ja maar ik wist ook dat ik echt met iets goeds bezig was en het was niet over night. Ik zat al vijf jaar op school, ik was al vanaf 2001 bezig met… snap je. Het had echt een lange aanlooptijd.

ERNST-JAN PFAUTH: Je wist dat het goed was, maar vervolgens had je ook het lef om te zeggen van ‘dit ga ik mensen laten weten ook en ik ga eisen stellen’.

WENDE SNIJDERS: Ik was er echt klaar voor. Ik wilde het zo. En dat klinkt soms als een concept an sich, van ‘ik haat concessies doen’ maar dat is helemaal niet zo. Het is veel meer ten opzichte van wat ik wil maken en dat ik dan de beste kwaliteit kan leveren. Dat als ik een concessie doe, dat die ander daar ook slechter af is.

ERNST-JAN PFAUTH: Ja dat snap ik, je doet geen concessies vanuit je artistieke integriteit.

WENDE SNIJDERS: Want bijvoorbeeld die chansons zijn toen best wel succesvol…

ERNST-JAN PFAUTH: Best wel ja, haha.

WENDE SNIJDERS: Die show was een succes toch? En toen eigenlijk gaandeweg voelde ik van ‘ik wil iets anders maken’ en ‘ik wil in de club staan en ik wil popmuziek onderzoeken en ik wil elektronische muziek onderzoeken.’ En ik had nog jaren door kunnen gaan met die chansons, ik stond best wel aan een soort hoogtepunt in 2006, dus dat was drie jaar later. En ik heb gezegd: ‘Ik ga nooit meer een chanson zingen’.

ERNST-JAN PFAUTH: Want laten we het daar eens over hebben. Ik noemde het net een reddingsboei, de chansons. Daardoor vond je je richting. En daar vond je ook enorm succes mee, want in 2006 wisten mensen wie je was, had je echt al een naam neergezet. Maar je zei: ‘Ik wilde geen Liesbeth List zijn.’ Wat is dan…?

WENDE SNIJDERS: Terwijl ik groot respect heb voor Liesbeth List, dat wil ik wel even gezegd hebben. Ik bedoel het is een onwaarschijnlijke performer, maar voor mij was dat niet de route.

ERNST-JAN PFAUTH: En wat was dan het verschil, voor een leek als ik?

WENDE SNIJDERS: Ik wilde mijn eigen shows maken. Dus ik ben echt een maker en voor mij is het concert mijn kanaal, of mijn genre.

Dus bijvoorbeeld waar een choreograaf via een dansstuk iets probeert te zeggen over het leven, of het nou de dood is of de liefde en alles ertussenin, en een regisseur een toneelstuk maakt en daar iets zegt over het leven, is voor mij het concept, waarin er liedjes ten opzichte van elkaar iets vertellen over het leven. Dat is mijn interesse. Snap je? Dus kijk, je hebt sommige mensen die maken concerten en die doen een liedje over hun oma en dan is er applaus, en dan is er een liedje over wolken en dan is er applaus, en dan is er een liedje van toen ze acht waren. En voor mij staan al die liedjes ten opzichte van elkaar en is een voorstelling en heeft een dramaturgische boog. Dat is abstract, maar dat is wat ik maak. Ik thematiseer dat.

Ik stond best wel aan een soort hoogtepunt in 2006. En toen heb ik gezegd: ‘Ik ga nooit meer een chanson zingen’.

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: Terwijl archetype Liesbeth List is dat wat je net zei? Ze zingt liedjes…

WENDE SNIJDERS: Ja ze zingt iconisch repertoire, of het repertoire wat voor haar geschreven is. En daar is een concert en daar wordt een lichtplan op gemaakt en een kostuum, maar het is geen boog. Er zit niet per sé een heel concept aan vast.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat vond je van het publiek en hoe ze reageerden?

WENDE SNIJDERS: Ja ik vond het fantastisch omdat ik één keer… Nou ook niet helemaal fantastisch, maar ik vond het fantastisch om eigenlijk geconcentreerde versie van het leven met elkaar mee te maken. Ik bedoel, je zou gek worden als je de hele tijd alle existentiële zaken van het leven met elkaar zou bespreken, maar daar in die negentig minuten zitten we even met elkaar van ‘o ja, zo zit het. Dit is het leven.’ Op muziek. 

ERNST-JAN PFAUTH: Ja, dat was fantastisch eraan. Je zei dat het niet alleen maar fantastisch was. Wat was er niet fantastisch?

WENDE SNIJDERS: Nou ik was eigenlijk best naïef omdat ik dacht van: ‘Iedereen begrijpt Frans. Iedereen verstaat wat ik doe.’ En dat was niet zo, weet je wel. Mensen kwamen ook best wel gewoon voor het chanson, voor het Franse, Gauloises en Brel en romantiek en al die dingen, en dat ik dacht ‘daar gaat het mij helemaal niet om’. Voor mij is het nooit nostalgisch geweest. Voor mij ging het er altijd over: Als hij Ne me quitte pas geschreven heeft, wat betekent dat? Als ik naar iemand zing ‘verlaat me niet’, wat betekent dat voor ons? Dat klinkt superzwaar en pretentieus maar ik denk wel dat dat wij best wel gedreven worden door de angst om verlaten te worden.

Het is niet een soort van engel die je in je oor fluistert van ‘dit is wat je hart zegt’, nee dat is een heel wankel, mistig, totaal onhelder landschap, en dat je denkt ‘nou ik ga maar naar rechts, en als ik door blijf lopen dan komt er vast wel op een bepaald moment iets van een inzicht’.

Wende Snijders

ERNST-JAN PFAUTH: En dat wil jij overbrengen maar er kwam een beetje een lifestyle publiek op af?

WENDE SNIJDERS: Dat werd niet zo gevoeld soms. En toen dacht ik van: Is dit dan wel de juiste weg? Moet ik dit niet anders aan te pakken?

ERNST-JAN PFAUTH: Dus de reddingsboei begon zich een beetje tegen je te keren? Dit is een onmogelijke beeldspraak, maar goed.

WENDE SNIJDERS: Nou het diende zijn doel niet meer.

ERNST-JAN PFAUTH: Je was aan land.

WENDE SNIJDERS: Ik was aan land!

ERNST-JAN PFAUTH: Dus toen moest je je daarvan gaan bevrijden. Ook van dat imago dat je al had.

WENDE SNIJDERS: Ja eigenlijk dat. Maar meer nog dat ik dacht: dit bevredigt mijn behoefte niet meer. Super egoïstisch eigenlijk maar meer van ik kan daarin geen concessie maken omdat ik dan ook niks te geven heb. Snap je?

ERNST-JAN PFAUTH: Dan sta je niet meer op het podium met je hart erin.

WENDE SNIJDERS: Ja als ik niet meer nieuwsgierig ben, wat heb ik dan nog te geven?

ERNST-JAN PFAUTH: Maar was je bang in die tijd dat je niet meer van het etiket af zou komen? Het etiket van chansonnière?

WENDE SNIJDERS: Nou ik dacht dat als ik dit doe, dat ik dan eigenlijk niet doe wat ik eigenlijk echt wil.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik snap de noodzaak die je voelde, dat je er niet meer mee door wilde, maar dat heeft natuurlijk een keerzijde. Dat vergt weer moed, zo’n besluit, want zo kende Nederland je. Ik kan me ook voorstellen dat er door je hoofd ging: ‘Als ik iets heel anders ga doen, zijn mensen dan nog wel geïnteresseerd in mij?’

WENDE SNIJDERS: Ik voelde ook dat dat een voorbijgaande, dat het een onbelangrijk gevoel was, laat ik het zo zeggen. Of een onbelangrijke angst. Het was voor mij een onbelangrijke angst, hoewel ik hem echt voelde. Nu gaan mensen me minder volgen. Maar ik moet ook zeggen dat weer andere mensen hebben gezegd van ‘goh wat moedig’ omdat ik zelf al verder was. Ik wist al wat ik wilde gaan doen.

ERNST-JAN PFAUTH: Het vergde geen moed.

WENDE SNIJDERS: Nee ik wist gewoon heel duidelijk waar ik naartoe wilde. Ik wilde kijken of ik een show kon maken met alleen maar eigen geschreven repertoire. Dus niet zo de kanonnen van nummers, maar ik dacht van ‘wat maak ik als ik een show maak waarin ik niet kan leunen op succes, maar wat echt van niets iets is’. Gaat mij dat lukken? En ik wilde per se in Carré staan, want ik had nog niet een eigen show in Carré gemaakt, en ik dacht: ‘Het eerste wat ik in Carré doe, moet ik helemaal zelf gemaakt hebben.’

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is weer een bizar hoge lat ook. De meeste artiesten dromen ervan om überhaupt in Carré te staan, om zo’n voornaam te worden op een affiche. En jij had zoiets van, eigenlijk net als bij Barend en Van Dorp, ‘ik wil niet alleen in Barend en Van Dorp staan, ik wil ook met een eigen liedje daar staan’. ‘Ik wil niet in Carré staan maar ook met een volledig eigen repertoire.’ Dat is de lat zo hoog leggen. En dat is ook het risico nemen dat het nooit lukt, want ik kan me ook voorstellen dat je met de chansons makkelijk Carré was ingekomen in die tijd.

WENDE SNIJDERS: Totaal. En ook ik bedoel, kijk nu, Froukje heeft gewoon in Carré gestaan hè, die is twintig. Dus je komt er makkelijker dan je denkt. Maar voor mij was het een andere gedachtegang. De gedachtegang gaat veel meer bijna echt als een sporter, weten wanneer je klaar bent. Het gaat echt veel meer over meesterschap voor mij. Wanneer ben je er echt klaar voor? Want je kan wel heel veel succes hebben, en in Carré kunnen staan, maar ben je er dan echt klaar voor? En daar ging het mij veel meer om.

ERNST-JAN PFAUTH: Je werkt nu best veel met S10 en Froukje, je werpt je ook als een soort mentor op van hen. Als je nu S10 en Froukje adviseert, wat zijn dan belangrijke dingen? Want je zegt: ‘Je moet er klaar voor zijn.’ Zij zijn superjong en nu al hebben ze het hoogst haalbare zo ongeveer al gehaald. Waarschuw je ze daar dan voor?

WENDE SNIJDERS: Dat ze vooral echt autonoom moeten zijn in wat ze willen van hun eigen creativiteit en wat zij willen van hun eigen carrière. En dat het een enorm soort rookgordijn is als je denkt dat het aantal streams en het aantal mensen die allemaal je naam gillen en het succes wat je nu hebt de wichelroede is voor wat je nog moet ontwikkelen. Want dat is iets heel persoonlijks en dat kan iets zijn wat totaal tegen het succes in gaat, maar dan zal je dat toch moeten doen.

ERNST-JAN PFAUTH: En jij hebt dat gedaan door van de chansons af te stappen.

WENDE SNIJDERS: Ja en ik ben echt wel onzeker en wankel en doodsbenauwd geweest, maar ik ben nu twintig jaar verder en kan zeggen: Het komt op zijn pootjes terecht. Niet zomaar, niet zonder slag of stoot en je moet wakker zijn, en je moet hard werken, maar uiteindelijk als je het doet… En daarom ‘je moet doen wat je hart ingeeft’, weet je, het is fakking hard werken om dat te doen. En het is niet een soort van engel die je in je oor fluistert van ‘dit is wat je hart zegt’, nee dat is een heel wankel, mistig, totaal onhelder landschap, en dat je denkt ‘nou ik ga maar naar rechts, en als ik door blijf lopen dan komt er vast wel op een bepaald moment iets van een inzicht’, snap je? En dan gaandeweg met terugwerkende kracht kan je zeggen: ‘Oh ik ben blij dat ik dat gedaan heb’.

ERNST-JAN PFAUTH: Ja, als je hoort ‘je moet je hart volgen’, en dat klinkt alsof je het prachtig aangeharkte paadje volgt, terwijl je eigenlijk door een jungle heen moet hakken.

WENDE SNIJDERS: Ja en ook dat je denkt ‘ik wil terug, ik wil gewoon naar iets wat ik weet’. En toch vind ik het tof om tegen hen te zeggen: ‘Jullie zijn zo jong, en jullie hebben zoveel ideeën en jullie zijn zo getalenteerd. Je moet echt zo daar schatplichtig aan zijn.’ En ook zeggen ‘je bent er echt nog niet’. 

Ik weet niet of jullie die documentaire Jiro dreams of sushi gezien hebben, en dat gaat over een klein restaurantje en een man die drie Michelin sterren heeft, een sushimaker. Hij is volgens mij 90 jaar ofzo. En hij maakt de meest geniale sushi ever. En dan komt er een soort meester sushimaker bij hem in de leer en het enige wat hij mag doen is een jaar lang een soort omelet sushi maken en elke keer is het niet goed. En dat dan tien uur per dag, die fucking omelet sushi maken. En dan na een jaar zegt Jiro: ‘Het is goed’. En die meester moest huilen omdat hij eindelijk begreep hoe hij die omelet sushi moest maken. En dat ik denk: ‘Dat is vakmanschap’.

Dus als jij denkt dat je succes hebt omdat iedereen loopt te gillen en zegt dat je een hype bent en dat je het fantastisch doet. Fucking think again, want om een nummer te zingen, om dat echt goed te doen en om echt een goed nummer te schrijven… honderd levens voordat je het voor elkaar hebt. En dat is niet zwaar, maar leuk.

ERNST-JAN PFAUTH: Nemen ze het van je aan?

WENDE SNIJDERS: Als ze het vragen dan zal ik het ze zeggen. Maar ik ga niet uit mezelf met allemaal enorme wijsheden lopen strooien.

ERNST-JAN PFAUTH: Het is wel echt een heel dik rookgordijn, miljoenen streams en zoveel succes hebben.

Als jij denkt dat je succes hebt omdat iedereen loopt te gillen en zegt dat je een hype bent en dat je het fantastisch doet. Fucking think again.

Wende Snijders

WENDE SNIJDERS: En het is fantastisch, wat een heerlijk leven, wat leuk! Ze staan zo op Lowlands, wat een mooie jeugd heb je dan. Ik bedoel, dat is toch ook te gek? Alleen je moet wel weten als je het hebt over het vakmanschap, en over duurzaamheid en over hoe het nou komt dat je het na vijf jaar wel gezien hebt, en waar komt die leegte vandaan? Dan denk ik: Nou ik heb echt wel een goede tip hoe je dat kunt aanpakken.

ERNST-JAN PFAUTH: Ja jij hebt het allemaal doorleefd.

WENDE SNIJDERS: Ik begon in Afrika, met totale leegte, dat je dat kan toelaten en dat je dan denkt ‘nou ik heb nu geen enkel idee meer, alles is wel zo’n beetje gezegd, alle succes is behaald en wat nu?’. Ja ga maar een boek schrijven ofzo, weet ik het. Ja, doe maar wat. Doe iets!

ERNST-JAN PFAUTH: Dan moet ik ook weer denken aan die leegte waar je over begon, de leegte die je ervoer in Afrika. Want daar komt ook een luwte bij kijken en even niet in contact staan met mensen en helemaal je eigen interesses kunnen volgen en niet afgeleid worden door hoe het ontvangen wordt, of hoe mensen daarop reageren.

WENDE SNIJDERS: Ja en het lichaam is heel enthousiast van zichzelf. Bijvoorbeeld toen ik als vierjarige over dat hek sprong om mee te dansen, dat was een hele lichamelijke reactie. Dat was geen strategische gedachte, dat was ‘ik wil gewoon dansen en die vorm met mijn handen maken’. Dat daar niets tussen zit, ik denk dat daar creatie geboren wordt, als je het een beetje zo pretentieus of dramatisch mag zeggen.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik vind het mooi gezegd. Dankjewel voor dit gesprek. Ik had geen idee dat jij zo’n hosselaar was.

WENDE SNIJDERS: Ja als je wil hosselen kom bij mij!

ERNST-JAN PFAUTH: Ja je kan wel een online cursus hosselen beginnen.

WENDE SNIJDERS: Ja precies! Ik vond het echt heel leuk, dankjewel voor je vragen.

Lees hier de interviews van nieuwslezer Noraly Beyer, televisiemaker Paul de Leeuw en schrijver Adriaan van Dis terug.

Wil je geen aflevering missen?

Geef dan hieronder je e-mailadres op. Dan sturen we een mailtje als er een nieuw interview verschijnt.