Categorieën
Interview

Matthijs van Nieuwkerk

De geroemde presentator deelt carrièrelessen uit zijn jonge jaren

Rondom Matthijs van Nieuwkerk hangt een mythe over dat hij een golden boy zou zijn, een zondagskind, voor wie het geluk en het succes is aan komen waaien. Aan dat beeld heeft hij zelf eigenhandig meegewerkt door zich altijd heel bescheiden op te stellen.

Maar geluk is een saai verhaal, zoals de presentator zelf graag zegt, dus Ernst-Jan vraagt hem om eens eerlijk te zijn over zijn carrière.

Matthijs zelf behoeft weinig introductie. Hij was de anchor van De Wereld Draait Door, nu van Matthijs Gaat Door. Daarvoor was hij schrijvend journalist, en al op zijn 35ste werd hij hoofdredacteur van het Parool. Hoe kreeg hij dat zo snel voor elkaar?

Wat volgt is een verhaal over nachtenlang werken aan een stuk, de drift om onderscheidend te zijn, de durf om jezelf omhoog te praten en de ambitie hebben om overal de boel te verbeteren. 

Fun fact: Matthijs heeft de kiem gelegd voor dit interviewprogramma. In 2009 interviewde Ernst-Jan hem voor zijn studentenblog. Ernst-Jan vroeg Matthijs welke tips hij had voor aanstormende journalisten. Aan zijn adviezen heeft Ernst-Jan zoveel gehad, dat hij dacht: ‘hier zit een format in!’ Zo is het idee voor Jonge Jaren geboren.

🕰 Het interview dat Ernst-Jan als broekie in 2009 met Matthijs maakte

📝 Van Nieuwskerks stuk over Netflix-hitserie The Queen’s Gambit  

📺 Het nieuwe programma Chansons met Rob Kemps

🎤 André van Duin zingt La Bohème voor Matthijs

📻 Fragment van een 25-jarige Matthijs die op de radio plat Amsterdams praat

⚽️ Het literaire voetbalblad Hard Gras waar Matthijs redactie over voert.

🍽 Het radioprogramma Mangiare! van Petra Possel

🎾 Het Engelstalige interview van Matthijs met André Agassi

Het volledige interview met Matthijs van Nieuwkerk

ERNST-JAN PFAUTH: Matthijs, ik vind jou de koning van wat de Italianen sprezzatura noemen. Dus iets heel moeilijks doen maar met schijnbaar gemak. Moeiteloze gratie, wordt het ook wel eens genoemd. Je wordt vaak gelabeld als een zondagskind. Daar verzet je je ook niet echt tegen. Je zegt dan dingen als: ‘Ik heb een talent voor geluk’, of ‘geluk is een saai verhaal.’ Dat zal tot op zekere hoogte waar zijn. Maar daar hebben we voor deze podcast helemaal niks aan. 

Dit is Jonge Jaren. Het is voor jonge makers, mensen die ook journalist of presentator willen worden. Die moeten juist leren van de momenten dat het ook moeilijk was voor jou, dat het even tegen zat of dat je het verschil moest maken. Dus daar zou ik het over willen hebben.

Je hebt zelf ook wel eens gezegd dat je graag zo’n interview had willen lezen vroeger, toen je begon. Dus dat gaan we maken.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Heel graag.

ERNST-JAN PFAUTH: En daarmee ook gelijk de eerste vraag. Wanneer kwam je erachter dat je definitief geen profvoetballer ging worden?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik denk dat ik een jaar of zestien was. Ik woonde nog in Hilversum in mijn ouderlijk huis. Ik stond op het punt zeventien te worden en toen was ik klaar met de middelbare school. Ik voetbalde bij Victoria, dat is een voetbalclub in Hilversum. Een hele oude club, de good old, zo heet dat, een soort bond met nog een paar oude verenigingen in Nederland.

Ik kon aardig voetballen. Ik mocht de illusie hebben dat ik het echt wel aardig kon, omdat je werd geselecteerd voor vertegenwoordigende elftallen. Dan speelde je met jongens in Noord-Holland, daar deden ook jongens van Ajax mee, en van de IJsselmeervogels, noem maar op. Op een gegeven moment merk je dat je al naar de achterhoede zakt. De meeste voetballers voetballen toch in de voorhoede, uiteindelijk. 

ERNST-JAN PFAUTH: Dus je begon voorin en je eindigde als laatste man?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik begon voorin en eindigde als laatste man. Daar kan je ook heel goed in zijn. Dan kan je ook Ajax nog wel eens halen.

ERNST-JAN PFAUTH: Zoals Jaap Stam.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Bijvoorbeeld. Die zal wel zijn hele leven laatste man zijn geweest denk ik. Maar toen ging ik studeren. En toen heb ik heel lang, nou ja heel lang, een jaar, gedacht: ‘Ik doe m’n best. Niet drinken, niet roken.’ Dat heb ik trouwens nooit gedaan. Dus niet zoveel uitgaan. En toen zag ik wel dat het niet haalbaar was.

ERNST-JAN PFAUTH: Maar dat is heel laat. Dan heb je toch heel lang die droom gekoesterd.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Er zit ook zeker iets naïefs in, maar ik wist bij God niet wat ik zou willen doen in mijn leven. Dus als ik nou echt een hele heldere ambitie had, dan was dat voetbal waarschijnlijk al een beetje over de rand gekukeld. Maar dat had ik niet. Dus daar hield ik ook aan vast. Mijn leven speelde zich ook af tussen de bibliotheek en het voetbalveld. Ik fietste van de ’s Gravelandseweg naar de voetbalclub Victoria. ’s Gravelandseweg was de grote bibliotheek in Hilversum. Elke week een boekje of zeven onder de bagagedrager, en voor de rest mijn voetbaltas achterop. Meer deed ik niet.

ERNST-JAN PFAUTH: Als je zo laat die droom in de ijskast zet, dan was je dus erg goed. Kan je je een moment herinneren dat je dacht: Nou het wordt hem toch definitief niet? Was het een avond of een middag of een moment in de wedstrijd?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Het was mijn snelheid eigenlijk. Ik verloor sprintduels, en net te vaak. En dan moet je je wel, à la Daley Blind, heel goed kunnen opstellen en de wedstrijd kunnen lezen. En het is ook niet zo dat ik daar huilend van in mijn bed heb gelegen, alleen ik dacht nog wel: ‘Wat zou het leuk zijn om hier mee door te gaan, gewoon een zakcentje mee te verdienen.’ Er zijn ook amateurclubs die wel redelijk betaalden in die tijd. En nog wel denk ik. Maar het was het niet. Toen kwam ik in Amsterdam, ging ik Nederlands studeren, en maakte ik dus meer werk van het lezen eigenlijk, en toen kwam wel het biertje en het uitgaan en het studentenleven.  

ERNST-JAN PFAUTH: In de Collegetour zei je: ‘Veel seks, drugs en bijbaantjes.’

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja dat klopt.

ERNST-JAN PFAUTH: Een beetje een richtingloze student, maar dat voetbal heeft je wel al een beetje het pad op gebracht waar je nu op bent. Ik begreep dat je stukjes voor de Gooi en Eemlander ging schrijven. Wat voor stukjes waren dat?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat waren hele kleine, slechte stukjes. De Gooi en Eemlander had altijd een pagina waarin van alle wedstrijden van Hilversumse clubs, of Bussum, of Laren, in ieder geval het Gooi, een kort verslag was te lezen.

ERNST-JAN PFAUTH: Honderd woorden ofzo?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja honderd, honderdvijftig, woorden maximaal. Aan mij werd dat toen gevraagd. Ik schreef altijd voor het clubblad, de Zegekar, over mijn eigen elftal.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat initiatief had je al genomen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Daar deed ik mijn best op. Het waren apartere stukjes, ze waren altijd wat anders dan de rest van de kopij. Dat viel iemand op bij de club. Die zei: ‘Ze zoeken bij de Gooi en Eemlander iemand die over onze club schrijft.’ En meestal brengt de club die zelf aan. En die oude man was ermee gestopt geloof ik. Toen ben ik daarmee begonnen. Dat vond ik superspannend.

ERNST-JAN PFAUTH: De oude man ingeruild voor een jonge hond. Wel spannend voor een jonge hond. Hoe oud was je toen?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Vijftien, zestien, zoiets. Ja, ik was jong. Dan moest je dat kopij brengen naar de Gooi en Eemlander, op de fiets. Ik had het eerst getikt. Dat was natuurlijk nog een velletje papier gewoon. Er was nog helemaal geen computer, niks. En dat werd daar dan ingezet. De Gooi en Eemlander hadden wij ook, samen met het Parool, in ons gezin, in ons ouderlijk huis. En dan las ik dus mijn stukje terug.

ERNST-JAN PFAUTH: Stond je naam er ook bij?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee ik geloof alleen mijn initialen: M.v.N.

ERNST-JAN PFAUTH: En was je trots?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik was daar apetrots op. Ik zag ook dat er in mijn kopij gerommeld was. Dat vond ik toen al irritant. Ik deed best wel lang over een zin. Ik wilde er echt wel iets van maken. Nobody cares natuurlijk, dat is natuurlijk paarlen voor de zwijnen. En dan was er natuurlijk iemand die daar rucksichtslos in knipte, en daar had ik dan op zitten zweten.

ERNST-JAN PFAUTH: Een half uur op honderd woorden, of misschien zelfs wel langer. Je zei ergens dat je soms ook wel uren over zulk soort stukjes deed.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat klopt. Een half uur over een goede alinea. Ik maakte er veel te veel werk van. Het is wel een kern van mijn karakter: ik wil het heel goed. Als je ergens een kans krijgt, een klein kansje, maar toch. Je staat in een krant, je bent gedrukt. Dat was toen nogal wat. Je kon het aan je oom en tante laten zien, en aan je buurman. Daar deed ik stinkend mijn best op.

ERNST-JAN PFAUTH: Waarom?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Omdat ik wil dat het heel goed is als mijn naam erbij staat. Ik wil onderscheidend goed zijn eigenlijk. Kijken wat er kan hè. Kijken hoe ver je komt.

ERNST-JAN PFAUTH: Was je toen al intrinsiek gemotiveerd? Was het niet om indruk te maken op de lezers van die sportclub?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Het was allebei zeer zeker. Maar het was zeker ook kijken hoe goed ik dit kan, of helemaal niet.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik vind dat wel interessant. Je schreef dus die stukjes wel, maar verder een vrij richtingloze student, althans, dat zijn jouw eigen woorden. Jouw boezemvriend, Mark van den Heuvel, stond toen aan het begin van zijn carrière. Die moest een stuk schrijven, daar was hij een beetje zenuwachtig over. Dat was niet zomaar een stuk, dat was een stuk met twee schaakgrootmeesters. En toen dacht hij: ‘Wat doe ik, ik vraag mijn boezemvriend Matthijs of hij even wil helpen.’ Dat is toch bijzonder. Dat jouw eerste stuk voor het Parool met twee schaakgrootmeesters is.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja dat is ook echt. En Mark, is later, en nog steeds, vooral sportjournalist. Die kreeg een kans bij het Parool. Ik studeerde. Dat had hij niet. Hij was gewoon een beetje aan het zoeken. Zijn vader had er ook iets mee te maken denk ik, en daar is niks mis mee. Aad van den Heuvel, groot journalist. Ik denk dat het zo gegaan is. Maar Mark pakte dat met twee handen aan toen hij bij het Parool een kansje kreeg. Ik was natuurlijk stinkjaloers, een kans bij een krant. Bij het Parool! Dat was de krant van mijn ouders. Dat was Carmiggelt, Annie M.G. Schmidt, het was Sjaan en Roos, het was Martin Reuling, het was Wim Jungman, de televisiecriticus. Maar goed, ik was alleen maar blij voor hem.

Toen ging Timman goed schaken, en wij dachten allemaal dat Timman misschien wel eens de beste van de wereld zou kunnen worden. Hij was nummer drie van de wereld. Best of the Rest. En the Best waren natuurlijk Karpov en Kasparov. Die waren best wel veel in België en in Nederland voor de toernooien. En toen heeft het Parool gevraagd aan Mark: Zou jij die twee mannen willen interviewen? Karpov en Kasparov. Dat vond Mark een hachelijk avontuur, daar was hij een beetje wiebelig over.

ERNST-JAN PFAUTH: Waarom werd het überhaupt aan zo’n jonge hond gevraagd?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Omdat wij heel veel schaakten. Het Parool had Rob Hartog als schaakanalist. Maar dat is iets anders dan zo’n jonge hond achter zo’n schaker aan in Brussel, op zo’n toernooi, wachten totdat je een keer aan de beurt bent. Dat is andere koek. Dus wij hebben dat met twee handen aangenomen en wij hebben avonturen beleefd met Karpov, Kasparov en Timman. En grote stukken in de krant.

ERNST-JAN PFAUTH: Want hoe zagen die avonturen eruit?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Je ging naar België. Je ging terug in een taxi met Karpov die zei halverwege Brussel: ‘Ik moet nog even een postzegel kopen’, en die was ergens daar en daar. En dan kwamen we in een achenebbisj buurt met de op dat moment grootste schaker ter wereld. Die bleek een filatelist, wisten wij ook helemaal niet.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is toch surreëel, dat je als begin twintiger in de taxi zit met hem.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Totaal. Als ik ook de foto’s terugzie… Ik heb dit laatst een keer verteld naar aanleiding van de Queen’s Gambit, daar heb ik een stukje over geschreven in de Volkskrant, toen heb ik dit verhaal, mijn eigen herinnering aan schaken, opgeschreven. Toen zocht ik de fotootjes er weer bij, want die zijn er. Groen als gras, en dan zit ik naast die saaie Karpov. Maar ja het was godverdomme wel de grootste schaker ter wereld. En die spaarde dus postzegeltjes. Dat vonden wij natuurlijk een reusachtig avontuur.

ERNST-JAN PFAUTH: Er moest natuurlijk wel een stuk geschreven worden daarna.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Er moest een stuk geschreven worden. Dat deden we met z’n tweeën, niet zo makkelijk. Maar wat vooral belangrijk was, is dat ik meeging om die kopij in te leveren. Want ik wilde wel eens naar die krant.

ERNST-JAN PFAUTH: Daar komen we zo, want ik wil nog even naar dat schrijven van dat stuk. Zoals bij de stukjes voor de Gooi en Eemlander, daar ging je eindeloos pielen. Je gebruikt uitdrukkingen zoals ‘alsof het een gedicht is’, of ‘een roman’, ‘als een horlogemaker in elkaar zetten.’ Hoe ziet dat er nou echt uit? Hoe schreef jij?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Het ziet er zo uit. Met sportkopij, niet de meest boeiende in die tijd– er is een hoop veranderd. Ik heb daar met Hard Gras wel mijn best voor gedaan later. Ik wilde onderscheidend zijn, ik wilde dat het leesbaarder was, poëtischer ook wel. De schaaksport leent zich daar wel voor. Ik las ook veel Angelsaksische sportverhalen, die waren al wat verder. Dus ik had het vermoeden: er is iets te halen. Of ik het kan brengen, dat weet ik niet. Maar ik ga wel proberen mezelf te testen – en dat is natuurlijk iets ingewikkelder als je het met zijn tweeën doet. Maar: kan ik een echt mooi verhaal vertellen? Iets minder plat dan de sportjournalistiek toen was.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus dat is een duidelijk idee over hoe je de sportjournalistiek wilde veranderen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Heel erg. Ja dat iets te groot gezegd. Ik wilde vooral mezelf testen. Want ik vind het een leuk vak, schrijven, en ik wilde natuurlijk opvallen.

ERNST-JAN PFAUTH: Je was je eigen genre aan het ontdekken. Dat is bouwsteen één. Bouwsteen twee: het schrijven zelf. Hoe ging dat in zijn werk? Ben je iemand die eindeloos uitstelt? Of gooi je het in een keer eruit?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee, nee, ik vond het natuurlijk wel heel spannend. Het was mijn debuut in een grote krant. Daar deden we wel heel serieus ons werk bij. En ook niet tot de deadline wachten. De deadlines zijn we natuurlijk later leren kennen, maar toen nog niet. We namen de tijd, ik wilde dat het bijzonder was. En dat het ook een mooie plek in de krant veroverde. Het werden allemaal openingen van sport katernen, dus het was niet mis.

ERNST-JAN PFAUTH: Bouwsteen twee: ver voor de deadline uitwerken. Niet alles op het laatste moment.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Toen zeker. Ook de tijd hebben. Als een horlogemaker misschien wel, soms met een nagelvijltje en soms veel te gemaniëreerd, als ik het nu terug lees.

ERNST-JAN PFAUTH: En wat betekent dat dan? Schreef je dan een eerste versie en ging je daarna erin hakken?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Zeker. Toen ik later bij het Parool te werken kwam, en toen schreef ik zelf mijn stukken, als ik bijvoorbeeld recensies schreef, van cabaret bijvoorbeeld, schreef ik het stuk meteen na de voorstelling. We waren een avondkrant. Ik kwam uit de Kleine Komedie, ik had, ik zeg maar wat, Lebbis en Jansen gezien, en dan schreef ik mijn stuk. Ik denk dat ik daar twee uur, half drie ‘s nachts mee klaar was. Dan was ik al best lang bezig. Zes uur ‘s morgens ging de wekker, en dan ging ik meteen weer naar mijn stuk. Omdat ik wist, toen ik ging slapen: ik ben wel tevreden met mijn stuk maar het kan beter. Dan was ik om zeven uur of half acht klaar. Roetsj naar de krant, want die zakte om elf uur. Om mijn stukje daar nog eens rustig te bekijken. Het is gekkenwerk, maar zo driftig was ik. Zo geestdriftig was ik.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat moet je vertellen als mensen je een zondagskind noemen. Moet je zeggen: ‘dat is onzin’, en dan dit verhaal.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nou ja, ik heb heel veel geluk gehad in mijn leven. Ik heb veel kansen gekregen. Ik zou kunnen vertellen dat ik met Mark bij de sportredactie mijn stuk in kwam leveren. Ik keek met een schuin oog naar de kunstredactie, want ik was een lezer en ik vond dat ze dat heel slecht deden. De boekrecensies, de interviews, de keuzes die ze maakten, dat sloeg helemaal nergens op als het gaat om de jonge literatuur. Het was de tijd van Kellendonk, Oek de Jong, Doeschka Meijsing, A.F.Th. van der Heijden. Zij kwamen op. Daar las ik niks over. Daar was werk aan de winkel. Ik kwam om te beginnen op een redactie en dacht: ‘Hier wil ik wonen, dit is mijn leven.’

ERNST-JAN PFAUTH: Dat zei je in je de serie Chansons! laatst. Dat je de redactie van het Parool op liep op om die kopij in te leveren, die schaakkopij.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Het is echt een fysieke ervaring. Ik sta op de drempel van dat voetbalveld van bureaus en dacht: ‘Hier hoor ik.’ Dit is mijn leven. Ik hoef niet meer verder na te denken. Dit is waar ik moet zijn. Ik moet hier proberen goed in te worden en dan zit ik misschien over een jaar aan zo’n bureau, en dan heb ik zo’n telefoon. Ik zag romantiek, ik zag spanning, ik zag opwinding, ik zag mooie meiden, ik zag van alles. Ik zag dat daar elke dag een krant werd gemaakt. Nog steeds vind ik dat hè. Ik ben al heel lang weg bij de krant, maar dat heeft wel nog een romantiek, daar ben ik heel vatbaar voor.

ERNST-JAN PFAUTH: Fascinerend dat je in vrij korte tijd, vijfendertig was je, hoofdredacteur van die zaal was.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: In tien jaar tijd was ik hoofdredacteur geworden ja.

ERNST-JAN PFAUTH: Wat zijn cruciale momenten om daar te komen?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: En daar komt mijn zondagskind kijken. Ik leverde de kopij in. Ik ging naar de kunstredactie, ik zeg: ‘Ik ben die jongen van die sportkopij, ik studeer Nederlands. Zou ik eens iets mogen doen hier?’ ‘Nou dat is goed, ga eens Cees Buddingh interviewen.’ Nou dat was helemaal niet wat ik bedoelde. Dat was een hele leuke dichter, maar dat was old school. Ik bedoelde de hippe shit. 

Dus ik interview hem, maak daar een mooie stukje van. Een dag later gaat hij dood. Dat stuk komt heel groot in de krant. Ik had het laatste interview met hem. Zijn laatste dagboekaantekening gaat over mij. Hij had het over ‘een hele leuke jongen uit Amsterdam die zijn sleutels was vergeten en nog eens terugkwam een uur later.’ En dat is het. Punt. Einde verhaal.

Dus dat verhaal krijgt meer aandacht dan gemiddeld. Het viel op. En zodoende zei de chef van de kunstredactie: ‘Goh er komt hier een vacature op de boekenpagina, Koster heette die man, die gaat naar de NRC Handelsblad. Is dat iets voor jou?’ Dus ik zeg: ‘Nou ik zit nog midden in mijn studie, ik weet echt hoe ik dat […].’ ‘Nou maar jij hebt echt talent, we willen jou heel graag hebben.’ Dus ik solliciteren. Ik werd het niet. Het werd Vic van de Reijt. Die was toen redacteur bij uitgeverij Bakker. Die wilde daar weg en dacht: ‘Dit is mijn kans.’ En dat begreep ik. Veel ouder dan ik, veel ervaring. Had al gepubliceerd. Leuk. Voor mij ook niks aan de hand. Want ik ging gewoon weer terug naar mijn freelance bestaan en mijn studie.

Maar drie weken later word ik gebeld. ‘Vic van de Reijt doet het toch niet. Hij blijft toch bij Bakker. Nu komt jij in beeld als onze nieuwe redacteur.’ Dat ben ik geworden. Vervolgens komt er een nieuwe hoofdredacteur. Ik was twee maanden bezig. Men leerde mij nog hoe de systemen werkten, hoe de krant werkte. De hele modus operandi moest ik nog in mijn vingers krijgen.

En die nieuwe hoofdredacteur zegt tegen mij: ‘Ik vind jou een groot talent, die stukken van jou die bevallen mij. Die moeten eigenlijk die nieuwe koers van de krant worden. Ik wil dat jij chef wordt.’ Dit verzin ik niet zelf hè. Dus ik terug naar de redactie en zeg: ‘Ik heb net zo’n raar gesprek gehad met de nieuwe hoofdredacteur, die zegt dat ik de baas moet worden.’ De redactie reageerde met: ‘We gunnen je echt de hele wereld maar dit gaat veel te snel, dus hier gaan wij tegen protesteren.’ Ik zeg: ‘Nou ik begrijp het, ik vind het ook helemaal niet erg.’

Een week later roept hij die hele club bij elkaar, zonder mij, en overtuigt ze dat ik het wel moet worden. Dus ik word chef van de kunstredactie. Ik was toen zevenentwintig. En ik heb natuurlijk veel kunnen doen. Toen kwam er een bijlage, en ik heb een stunt uitgehaald met columnisten.

ERNST-JAN PFAUTH: Jouw punt is: je hebt veel geluk gehad.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat is wat ik wil zeggen. Maar mijn punt is dat alle kansen die ik kreeg, dat ik opviel bij de hoofdredacteur kan ik wel aan mezelf toeschrijven, want met de stukken die ik schreef daarmee viel ik op. Maar dat die redacteur niet naar het Parool ging, daar had ik natuurlijk geluk mee.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik zie nog een heel groot moment dat je aan jezelf kan toeschrijven. Namelijk dat jij op de redactie van het Parool komt, bij de sport, maar met een schuin oog naar de kunstredactie kijkt en naar het bureautje van de kunstchef bent gelopen. Dus ja, je hebt geluk, maar zoals men dat zegt: Je hebt het ook afgedwongen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik heb afgedwongen dat ik daar een stuk mocht schrijven, dat ik even mijn gezicht liet zien. Allemaal zonder brandende ambitie, hoor. Alleen maar met de ambitie om te mogen schrijven, om het vak te leren, en op die krant te komen.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is wel interessant. Het klinkt ook in je verhaal alsof je niet heel ambitieus was. Ik heb zelf ook heel snel carrière gemaakt bij een krant, bij het NRC Handelsblad, en daar had ik ook zo’n moment dat iemand zei: ‘Hij moet chef worden.’ Hans Nijenhuis zei: ‘Hij moet chef van de internetredactie worden.’ Toen was ik vierentwintig. Toen werd er ook door collega’s gezegd: ‘Dat vinden wij een slecht idee.’ Nou toen zat mijn hartslag op weet-ik-het, en ik heb drie weken niet geslapen tot ik benoemd werd. Terwijl jij, zoals jij het nu vertelt, klinkt: ‘Jij moet het niet worden’, en dat jij dacht: ‘Nee, klopt, vind ik ook.’

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik studeerde ook nog. Ik was nog bezig met afstuderen. Ik had al een onderwerp voor mijn eindscriptie en dat soort dingen. Ik zag ook wel dat Vic een betere kandidaat was. Ik had wel eens van hem gehoord. ‘Oh Vic van de Reijt, die was al bezig met Elsschot of zo.’ Ik zag er wel een soort logica in en dacht mijn kans komt nog wel als ik ben afgestudeerd.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus het was ook een vorm van zelfvertrouwen, dat je niet zo’n brandende ambitie had.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik had hem ook echt niet. Alleen, als ik zo’n kans krijg, dus als ik ook chef van de kunstredactie word, toen heb ik een heel eigenzinnige koers gevaren in mijn toenmalige omgeving om een heel succesvolle, dat probeerde ik althans, kunstbijlage te maken die echt over Amsterdam ging. Met een Amsterdamse toon en brutaliteit. En dat wel A.F.Th. van der Heijden in de krant kwam, en wel Connie Palmen.

ERNST-JAN PFAUTH: Want dat is een derde bouwsteen. Je had elke keer wel een idee over hoe die journalistiek anders moest. Als sportjournalist: het moet literairder. Daarna bij de boekredactie: een hele richting die gemist wordt. En nu bij de kunstredactie: we gaan een heel nieuwe eigen stijl neerzetten.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dacht ik ja. Ik had wel altijd ideeën. Ik stond er soms wel een beetje alleen voor. Maar dan had ik gelukkig de volmacht, namelijk als chef van de redactie, om er toch iets van waar te maken. Althans, te proberen. En te hopen dat je al heel snel mensen aan je bindt die zeggen: Verdomme je hebt eigenlijk gelijk ook. En die met volle kracht er tegenaan gaan. Je doet het altijd met elkaar. Je moet ook een leider van een club zijn, dus ook lid van die club.

ERNST-JAN PFAUTH: Het is ook interessant dat je wel bent van het vereren van oude helden. Was je dat toen ook al?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Zeker, ik mag graag iemand goed vinden.

ERNST-JAN PFAUTH: Maar ook uit het verleden bedoel ik. Zoals je nu je liefde voor de Franse zanger Aznavour uitdraagt. Had je dat vroeger ook al dat je bij het Parool kwam en dacht: ‘Carmiggelt, het grote voorbeeld?’ Ik had dat bij mijn eerste maanden bij NRC, toen had ik zoiets van: ‘Ik ben nu bij de krant van Henk Hofland. Dus ik ga proberen in die stijl verder te gaan.’ Terwijl jij meteen zoiets had van: ‘Mooi wat ze hebben neergezet, maar er moet een andere stijl worden ingevoerd.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nou, de reden dat ik hoofdredacteur ben geworden, was dat ik al heel snel vond dat het noodlijdende Parool, ooit natuurlijk een glanzende titel, maar dat was het op dat moment niet. Toen ik er kwam werken was Carmiggelt er nog wel, en Annie M.G. Schmidt ook. De kopij haalde ik bij zowel Carmiggelt als Annie M.G. Schmidt op. 

Mijn moeder las Carmiggelt elke dag voor, de Kronkel. Als hij op de mat viel dan was het stil in huis en las mijn moeder dat stukje voor. En ik zag hoe gelukkig mijn moeder was. En ik zag ook hoe mooi ik het vond.

Ik stapte toch in een soort heilig huis, wat dat betreft. Maar ik dacht wel: ‘We moeten iets veranderen.’ Mijn idee: het moet Amsterdams worden. Het Parool moet een Amsterdamse krant worden en dat was het niet. Mijn voorganger als hoofdredacteur, met reden, zei dat we ons beperken in ons verspreidingsgebied, dus dan hebben we minder kans op nog meer lezers. Terwijl ik dacht: ‘Als je een goede Amsterdamse krant maakt, gaan alle Amsterdammers die de krant nu nog niet lezen, hem wél lezen.’ Het profiel van je krant wordt helderder. De manier waarop je de redacteuren aanstuurt, de stukken die je wil lezen, hoe je Ajax wil volgen en de gemeenteraad: daar gaan we allemaal een schepje bovenop doen.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus zei je tegen Martin Bril: ‘Ga eens een rondje lopen en schrijf op wat je ziet.’

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Toen ik hoofdredacteur werd zei ik tegen Martin Bril: ‘Ga jij eens een rondje door Amsterdam lopen,’ dat klopt.

ERNST-JAN PFAUTH: Dan missen we nog één puzzelstukje in het hoofdstuk van het Parool. Hoe werd je van kunstchef hoofdredacteur?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik werd gevraagd door de VPRO om hoofdredacteur te worden van de VPRO. Dat was het moment dat Roelof Kiers overleed. We hebben het over de old school VPRO met Kees en Wim, Jiskefet, Cherry Duyns, noem maar op. Alles was er nog. En ik werd gevraagd, tot mijn grote verbijstering, als chef van de kunstredactie, ‘wil jij de nieuwe hoofdredacteur worden?’ Ik kon het niet geloven. Ik kon dit gewoon niet geloven. Dit bestond niet. Of ik naar het Hilton wilde komen. 

Daar heb ik gesproken met Hans van Beers, toen de voorzitter van de VPRO. Die zegt: ‘Wij denken echt aan jou. Je valt op. We hebben nieuw elan nodig. De ramen moeten open. Het is hier veel te lang muf geweest. Hoe goed we misschien ook zijn, we moeten veranderen.’ Daar heb ik over nagedacht en ik heb gesproken met een capita selecta van de VPRO. Er was nog een andere kandidaat. Ik wist niet wie dat was. Ik weet nu wie dat was, hij werd het namelijk. Ik ging naar [Sytze] Van der Zee met: ‘Ik heb een aanbieding gekregen om de baas van de VPRO te worden en dat ga ik denk ik doen, want dat vind ik een ongelofelijke uitdaging en ik kan het bijna niet geloven.’ En hij zegt: ‘Dat wil ik echt niet.’

ERNST-JAN PFAUTH: Je ging naar hem toe met de intentie om te vertellen dat je wegging? Of dacht je: Dit is een goede onderhandelingspositie?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee, dat eigenlijk niet eens. Ik wilde het gewoon zeggen. We gingen toch vrij intensief met elkaar om. Hij heeft mij altijd goed verdedigd en kansen gegeven. Ik wilde dat wel met hem delen eigenlijk. Ik was dus ook niet heel zeker van mijn zaak. Ik zei: ‘Je moet wel weten dat ik dit graag wil.’ En hij zei: ‘Hoe kan ik je houden?’ Ik zeg: ‘Je kan me houden door mij adjunct te maken.’

Lang verhaal kort: ik werd adjunct. Toen zat ik nog dichter bij het vuur, dichter bij het grote stuur. Dat vond ik een fijne plek. Niet in de zin van macht, maar invloed. Van: ‘Kunnen we die krant niet ietsje meer die kant op sturen.’ Toen heb ik de VPRO afgezegd.

En de vraag was: ‘hoe kom je daar?’ Doordat je iets anders gevraagd wordt en je hebt daar wel oren naar, en zo gaat dat natuurlijk heel vaak. Ik zeg niks aparts. Ik wil je niet kwijt, dan bied ik je dat aan. Toen ben ik in de hoofdredactie gekomen en daar hebben wij een lastige tijd gehad want Van der Zee was dus heel erg van niet-Amsterdam, en ik was heel erg wél Amsterdam.

ERNST-JAN PFAUTH: En was je wel first in line toen hij vertrok?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Toen werd mij ook wel gevraagd: ‘Moet je niet opstappen?’ Want dat is soms gebruikelijk als een hoofdredacteur opstapt. De andere adjunct, door Sytze van der Zee meteen benoemd toen hij benoemd werd, dus daar was hij al heel lang op reis mee, die deed dat wel. Die was ook een stuk ouder dan ik. Ik deed dat niet omdat ik dacht: ‘Dit is dé kans voor de krant om een Amsterdamse krant te worden.’ Want de redactie was het wel met mij eens, want er moest iets gebeuren met de krant, dat was duidelijk. Zoals het ging, ging het niet, terwijl hij helemaal niet slecht was.

Dat is de lastigste opdracht voor een leidinggevende: wat doe je dan? Als een rotprogramma maakt en je hebt geen kijkers, ja dan moet je je programma beter maken. Maar als je best wel een goed programma maakt en er kijkt niemand, dan is goede raad duur.

ERNST-JAN PFAUTH: Jij kon gewoon een paar jaar in de toekomst kijken en zag dat dit het niet ging halen? 

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Het was voor mij appeltje eitje. Easy peasy. Die krant móet Amsterdams worden. Terug naar de roots. Het moet de beste Ajax-krant en de beste misdaadkrant etc. etc. worden. Dat leek mij. Ik wist het natuurlijk niet zeker. Het was een intuïtie. Ik twijfelde er geen seconde aan.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik ben blij dat we dit zondagskindverhaal toch even besproken hebben en toch even voor de jonge luisteraars die ook een carrière in de journalistiek willen: De bouwstenen zijn dus: inventarisatie opmaken, ervoor zorgen dat je een duidelijk idee hebt wat je met de journalistiek wil, dat is een terugkerend thema, de tijd nemen en elke kans serieus nemen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Heel erg je kans pakken. Ik was heel ijverig en heel consciëntieus en serieus ook.

ERNST-JAN PFAUTH: En eindeloos pielen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Als het om stukken gaat, het zelf schrijven, dat wat mij het makkelijkste afgaat, dat is pielen. Maar leidinggeven, een krant op sleeptouw nemen, ik ging heel weinig schrijven. Ik ging heel veel praten. Martin Bril proberen bij de krant te krijgen, Theo van Gogh bij de krant halen. Je wil dat Amsterdamse, de kwaliteit en de brutaliteit van de stad, dat je die in je krant terugleest. De warmte van de stad, van de Jordaan tot aan de Staatsliedenbuurt. Na Ajax, na het Bijlmer Beraad, Prem Radhakishun tegenkomen, van wie ben jij? Even voor onze krant.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik wil zo nog even door naar dat leidinggeven, hoe je dat hebt gedaan. Maar ik was ook wel benieuwd. Je zei net dat je moeder je op het spoor van Carmiggelt heeft gezet.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Op het spoor van het Parool eigenlijk.

ERNST-JAN PFAUTH: Je hebt al vaker verteld dat je vader importeur van hengelsportartikelen was. Maar ik hoor je eigenlijk vaker over je moeder. Ook als we jou ontroert zien, wat een paar keer afgelopen jaar op tv hebben gezien. Bij het graf van Aznavour, of toen André van Duin La Bohème voor je zong bij een van de laatste afleveringen van De Wereld Draait Door. Daar heb je je over verteld bij Beau en andere plekken dat je dan ontroert raakt omdat je aan de moeder dacht. Dat ze een belangrijke rol heeft.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Zeker. Zij is overleden. Mijn vader niet.

ERNST-JAN PFAUTH: Want je hebt gezegd dat ze jou op het spoor van het Parool heeft gezet. Zij heeft jou eigenlijk op het spoor van je carrière gezet.

André van Duin zingt La Bohème voor Matthijs, in maart 2020.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik heb de liefste vader ter wereld. En hij leeft gelukkig nog. Die is nu negenentachtig. Een ontzettend lieve man, een voetballer, altijd mee naar het sport en de man van mijn moeder. Het was een gelukkig gezin. Maar mijn moeder las, zij las de krant, en was lid van het Parool. En had het over het Parool. En als het Parool niet bezorgd werd om vijf uur ’s middags dan werd er verdomme gebeld van, ‘waar blijft die krant godverdomme?’ Er was natuurlijk geen internet, niks. 

Dat hoorde zo bij ons gezin en die liefde, die kwam van mijn moeder. Mijn vader was niet tegen het Parool, maar las de krant veel minder secuur en van voor naar achteren dan mijn moeder. En mijn moeder heeft mij op het spoor van Franse liedjes gezet. En ook Jan Wolkers aan me aangereikt, van, ‘lees dit eens, ik vind dit een mooie schrijver.’ Ik volgde haar daarin. Zij leerde mij heel veel en ik heb dat altijd in mijn hart opgesloten als iets ontzettends liefs van mijn moeder. En ik voel een grote liefde voor mijn moeder en ik mis mijn moeder heel erg.

ERNST-JAN PFAUTH: Hoe zag haar leven eruit?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Zij was huisvrouw. Mijn vader was heel vaak op reis, want die kocht bamboe in, in Azië, en dan maakte hij er hier in Nederland kleine hengeltjes van, onder andere. Maar dan was hij wel maanden per jaar weg. Dus mijn moeder zorgde gewoon voor ons gezin, voor mijn broertje, mijn zus en ik.

ERNST-JAN PFAUTH: Wel bijzonder. Want als je nu aan mensen zou vragen: ‘Waar denk je aan bij Matthijs van Nieuwkerk?’ Dan noemen mensen journalistiek, het Parool, de chansons, de literatuur, daar schrijf je nog steeds stukken over, dat komt allemaal door je moeder natuurlijk.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nou ja, het komt natuurlijk ergens vandaan, maar mijn moeder heeft mij ontzettend geïnspireerd om hier kennis van te nemen en ik zie hoeveel plezier het mijn moeder deed. En als ik Aznavour toevallig een rotzanger had gevonden dan was het ook goed, maar ik vond hem toevallig ook goed. Ik wil niet zeggen dat ik die erfenis een beetje bewaak want dat zijn veel te cerebrale woorden, maar ik koester het wel. Het is ook een herinnering aan mijn moeder levend houden. En dat programma Chansons, dat is met puur toeval, over zondagskind gesproken, ook op mijn pad gekomen, en inderdaad was ik zeer geëmotioneerd bij het graf van Aznavour.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is toch geen toeval? Je bent de bekendste televisiemaker, dus je kan maken wat je wil.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja dat wel, maar ik kom Rob Kemps tegen in een andere show en ik kende Snollebollekes helemaal niet zo goed. Ik vond het wel een leuke kandidaat bij de Slimste [Mens], en het is een ontzettend aardige gast. We bleken een ongelofelijke liefde te delen, we zijn echt zeer bevriend geraakt. We appen nog steeds dagelijks nummers naar elkaar toe. En toen zei men: ‘Goh, jullie met z’n twee.’ En dat is wel een beetje met toeval ontstaan. Als ik niet in Op1 was uitgenodigd die avond, en Rob Kemps had uitgenodigd in mijn eigen programma, had ik ook nooit geweten dat hij zo van Franse liedjes hield.

ERNST-JAN PFAUTH: In al je verhalen over toeval en zondagskind aan de ene kant en zondagskind aan de andere kant, slaat de schaal vaak uit naar toeval, maar je creëert het wel elke keer.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat zeg je goed. Bijvoorbeeld, Hard Gras, ben ik begonnen met Henk Spaan en Hugo Borst, het literaire voetbalblad. Het bestaat nog steeds trouwens. In het begin had ik daar heel veel bemoeienis mee, en maakte ik het ook echt eigenhandig met Henk, eens in de toen nog drie maanden. Dat was natuurlijk ook een drift van we missen in de sportjournalistiek, in de voetbaljournalistiek, het mooiere verhaal. En de bovendien echt goeie pennen, die wagen zich helemaal niet. Rudy Kousbroek, zijn als sporters voor de dommen, en hij kreeg applaus. Zo zijn we niet getrouwd. Dus toen hebben we echt op Angelsaksische leest, laten we kijken of we Nederlandse goede journalisten en schrijvers kunnen verleiden om over voetbal te schrijven. Nu weet je niet beter, maar toen was het echt nieuw. Dat is geen toeval. Dat is bijna zendingsdrang.

ERNST-JAN PFAUTH: Nog heel even over je moeder. Zij heeft je dus op het spoor gezet van allerlei onderwerpen die je dicht bij je houdt. Ze was dus echt een soort raadgever voor je?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee dat niet. Mijn ouders hebben mij ontzettend vrij gelaten en ik heb ook niet om zoveel raad gevraagd. En ik was ook niet zo zorgelijk. Het ging mij redelijk voor de wind. Dus ze zullen niet heel veel nachten over mij hebben wakker gelegen.

ERNST-JAN PFAUTH: Het ging waarschijnlijk zo snel dat ze het amper konden bijhouden.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nou ja, je moet je wel voorstellen dat ik dus hoofdredacteur word van de krant die mijn moeder verslonden heeft. Dat is natuurlijk wel een heel apart verhaal. Dat hebben we ook altijd wel zo samen ervaren. Van hoe is het mogelijk? Mijn moeder dan: ‘Hoe is het toch mogelijk?’ Zo gaat dat dan.

ERNST-JAN PFAUTH: In dat aparte verhaal, speelt opvallen een grote rol. Een basisingrediënt daarvan is goed werk maken. Maar heb je nog adviezen over hoe je elegant opvalt? Want het klinkt niet alsof je was van: ‘Hallo!’

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee helemaal niet, ik ben een verlegen man. Nou door je werk goed te doen. Door zo’n stukje, waarvoor ik om zes uur ’s ochtends mijn wekker zette om het nog iets beter te maken. Met het blote oog nauwelijks waarneembaar, maar voor mij heel belangrijk. Ja, daar zit toch wel een ontzettende zin om het goed te doen en ook wel dat mensen dan misschien wel zeggen: ‘Goh wat een goed stukkie is dat.’ Daar deed ik het ook een beetje voor.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus je werk sprak voor zich? Dat is alles? Dus het enige wat er nodig was je werk goed doen?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik ben ook nog wie ik ben. Nu is alles digitaal, dus je stuurt een stuk naar een krant. Vroeger kwam je het brengen en dan heb je ook nog eens een kopje koffie met iemand. En die zou kunnen zien hoe ik in mekaar zit. En die zou kunnen denken: die kunnen we gebruiken.

ERNST-JAN PFAUTH: Had je dat in je achterhoofd toen je die kopij kwam brengen?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee dat geloof ik niet. Ik was niet aan het solliciteren eigenlijk. Behalve dat ik goed werk wilde leveren.

ERNST-JAN PFAUTH: Kijk, als ik een bekentenis mag doen, elk contact dat ik bij NRC had in die tijd dacht ik: ‘Hoe kan ik hiermee verder komen?’ Had jij dat niet?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee eigenlijk niet. Want ik kwam ook vrij snel verder door die snelle opeenvolging van werk. Toen was het een tijdlang de kunstredactie en toen kwam de VPRO langs. Er waren ook wel anderen trouwens, maar de VPRO was iets waar ik heel serieus over was. Toen bleek dat toch een breekijzer te zijn om een spotje te klimmen op de ladder.

ERNST-JAN PFAUTH: Had je niet toen je een kopje koffie dronk met die redacteuren van: ‘Oh ze mogen me wel?’

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja dat had ik wel. Het is mij natuurlijk helemaal niet vreemd, een beetje flirten zeg maar, ook met collega’s om te kijken ‘willen jullie me niet hebben’. Maar ik geloof niet dat ik dat toen echt nadrukkelijk heb gedaan of heb hoeven doen.

ERNST-JAN PFAUTH: Fascinerend. Je komt nu wel over als iemand die, zoals ik je in een interview hoorde zeggen, ‘meedogenloos’ is in zijn werk.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dan hebben we het over de TV hè.

ERNST-JAN PFAUTH: Hoe je praat over je jonge jaren klinkt het ook een beetje laissez faire. Wel hard werken maar om het werk zelf, maar niet om de carrière.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nou, niet laissez faire als het om het werk gaat, maar wel om wat het oplevert, over de carrière. Ik denk dat ik daar was laconieker in was. Maar ik moet je wel zeggen, ik wilde graag op die zaal terecht komen. Daar kwam ik wonderlijk snel terecht door een speling van het lot, met Vic van de Reijt. En toen werd ik door een andere speling van het lot chef. En toen had ik mijn handen vol. Ik had het ontzettend naar mijn zin en ik had een ongelofelijke drift om de kunstbijlage te maken waar iedereen het over zou hebben in de stad. Tuurlijk had ik dat.

ERNST-JAN PFAUTH: Bij dat leidinggeven wat je toen moest doen. Toen moest je af en toe voor een groep staan. Wie zei toen voor het eerst tegen jou: Dat kan jij eigenlijk best wel goed, dat praten?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat zeiden mensen op de kunstredactie. Want daar ging ik inderdaad op een stoel staan. Ik heb heel veel op een stoel gestaan.

ERNST-JAN PFAUTH: Kan je dat nog herinneren, dat je dat voor het eerst te horen kreeg?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja dat kan ik me nog wel herinneren. Ik weet ook nog wel dat ik op dat moment radio ging maken. Ik ga nu een hele rare zijstraat in. Ik ging radio maken, op verzoek van Jan Donkers, voor de VPRO. Een heel obscuur programma, het mag ook verder geen naam hebben en dat heeft het ook nooit gekregen.

ERNST-JAN PFAUTH: Jan Donkers, die als literatuurjournalist helemaal gek is van Amerika, toch?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja die Jan Donkers. Daarmee voetbalde ik ook. En die zei op een gegeven moment: ‘Wat praat jij makkelijk.’ ‘Jeetjemina.’ En dat vond ik eigenlijk op dat moment zelf ook wel. Ik had er wel aanleg voor, het ging me redelijk af. Dat was niet altijd zo. Niet bij spreekbeurten op de lagere school. Je moet het op een gegeven moment wel vaker doen, dat is wel essentieel. Je moet op een stoel gaan staan als je een verhaal hebt. Je gaat niet op een stoel staan met een peptalk van ‘ja jongens zet ‘m op vandaag.’ Je moet wel echt iets te vertellen hebben.

ERNST-JAN PFAUTH: En op school was het natuurlijk als gelijke voor de klas, maar nu kon je het vanuit enige autoriteit doen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja natuurlijk, maar daar moet je wel goed over nadenken. Ik heb zelfs in de Engelse krant, ik was natuurlijk abonnee van elke krant op de wereld, alleen al naar de opmaak gekeken. Van hoe breed is een kolomlijntje. Waarom een kolomlijntje? Een schreefloze kop? Waarom niet? Al die dingen, ik zat daar maar mee. En dan had ik het uitgedacht en ging ik weer eens op een stoel staan en zei ik: ‘Nou jongens, het is bestudeerd. Dit doen we goed. Complimenten. Fantastische week achter de rug. Maar dat zouden we anders kunnen doen. En die rubriek, daar ben ik jaloers op.’

ERNST-JAN PFAUTH: Dus dat eindeloos pielen dat deed je ook ter voorbereiding van een speech.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Thuis. Ik kwam altijd zeer beslagen ten ijs en dat moest ook want ik was de jongste. Ik had natuurlijk redacteuren die waren vijftig, zestig jaar en ik was een snotneus.

ERNST-JAN PFAUTH: En journalisten zijn natuurlijk bloedhonden. Als die een verhaal horen dan gaan ze proberen het af te breken.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Exact. Het zijn niet meteen cheerleaders. Dus je moet je werk heel goed doen. Ik vond dat fantastisch die verhouding. Ik werd getergd om dat zo goed mogelijk te doen. En daarvoor deed ik heel veel huiswerk. Heel veel kranten lezen. Nadenken. Dat soort stukken. Waarom hebben we niet één grote foto op een pagina? Waarom doen we dat niet een keer? Zullen we eens opvallen? Weetjewel. En in de luxe dat de krant slecht ging en dat het alleen beter kon gaan, bij wijze van spreken. Dus men gaf mij ook veel credits, van laten we dat dan maar proberen. En ik was natuurlijk ook enthousiast.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik vind het interessant dat je ook voor die speeches, wat niet om het eindproduct gaat, maar bedoeld is om het eindproduct beter te maken, dat je daar ook heel veel tijd in stak. Het viel dus op dat je goed een verhaal kon vertellen en toen kwam Jan Donkers naar je toe.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik kwam uit m’n woorden ja. Toen ging ik radio maken. En Jan was echt een hero. Dat had je toen in Café de Pels, waar ik toen veel kwam. Daar had je toen de divisies tussen de studenten Nederlands. Zo kwam ik binnen. En achterin stond de Henk Spaan, Rogier Proper, Adriaan van Dis, Remco Campert, Willem van Malsen, Herman. Potverdorie dat was toch wel de beau monde in een café bij het Spui. 

En Jan Donkers, die ging met ons voetballen, die leerde ik toen beter kennen. Daar had ik veel bewondering voor. Hij schreef ook goede boeken trouwens, romans enzo. En hield van muziek, net zoals ik. Hij gaf mij het eerste compliment wat ik niet meer vergeten ben: ‘Jij hebt talent. Jij komt heel goed uit je woorden. Dat is heel fijn.’ Zoiets was het. Toen dacht ik: ‘Nou oké. Oké. Dan ga ik daar eens meer gebruik van maken.’

ERNST-JAN PFAUTH: Wat voor radio ging je toen maken?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Idiote radio. Baldadige onzinradio. De Wilde Wereld. Met Fons Dellen en Bram van Splunteren. Die presenteerden het. En Roel Bentz van den Berg. Roel Bentz heeft ook nog voor NRC geschreven. Die hadden een soort onzinrubriek bedacht voor mij en Mark van den Heuvel. Wij reisden ineens naar de radio toe. En op het eind vaak aan de knoppen, zat Jan Donkers.

ERNST-JAN PFAUTH: De VPRO heeft een item online gezet. Het is een item waarin jullie bellen met mensen die in de vergetelheid zijn geraakt. Een coureur en een komiek. Jij hebt daar een heel plat Amsterdams accent.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat klopt, dat had ik ook!

ERNST-JAN PFAUTH: Zo sprak jij echt.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja zo sprak ik echt. Daar heb ik echt aan moeten werken.

ERNST-JAN PFAUTH: Het is dat ik wist dat jij het was, anders had ik je niet herkend.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik ben het echt kwijt. Men zei überhaupt al: ‘Kan het iets minder plat?’ Toen heb ik bij de krant en de radio gewerkt om het netter te krijgen. Bij een logopedist. ‘Hoe kom ik hiervan af?’ Het was echt fors.

ERNST-JAN PFAUTH: Hoe kan dat? Je was toch in Hilversum opgegroeid?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik ben natuurlijk geboren in Amsterdam en we waren altijd wel heel Amsterdam-georiënteerd. Alle familie was in Amsterdam, we waren heel vaak in Amsterdam. Het is dat mijn vader zijn werk zich naar Hilversum verplaatste. Dus wij mee naar dat oersaaie Hilversum.

ERNST-JAN PFAUTH: En het accent gecultiveerd totdat het niet meer van pas kwam.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja misschien was dat het.

ERNST-JAN PFAUTH: Je bent toen gekke radio gaan maken. Maar later ben je ook Opium gaan maken.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Toen ben ik door Petra Possel gevraagd.

ERNST-JAN PFAUTH: Want dat vind ik wel interessant, omdat er een opvatting over jouw toch wel mythische carrière bestaat in de Nederlandse mediawereld. Je was razendsnel hoofdredacteur geworden bij het Parool. Toen kwam je een keer bij Barend en Van Dorp, daar werd je door Kathleen Warners gespot als talentje, en toen kon je zo ‘hop’ op televisie.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Over zondagskind gesproken. Dat bedoel ik met mazzel, begrijp je.

ERNST-JAN PFAUTH: Maar dat is dus niet zo, want in het verhaal wordt dan gezegd: ‘Toen mocht hij op televisie, er waren misschien een paar hobbeltjes, maar al heel snel presenteerde hij culturele programma’s, toen kwam DWDD, en de rest is geschiedenis.’ Maar voordat je bij Barend en Van Dorp gespot was, had je al jarenlang radio gemaakt. Dat lees je nergens. Je had zelfs een accent afgeleerd. Dus er zat heel veel werk in voordat je bij Barend en Van Dorp zat.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja dat is feitelijk helemaal juist. Maar ik zit bij Barend en Van Dorp als hoofdredacteur van de krant. Ik kan me het onderwerp niet meer herinneren. Ik weet wel dat ik er naar huis fietste en dacht: ‘Dat is niet echt iets voor mij.’ Ik was wel onder de indruk van Frits en Henk. Ik voetbalde ook met Frits, daar heb ik vijfentwintig jaar mee gevoetbald in de achterhoede van Buitenveldert.

En Kathleen Warners, die ziet dat dus, en het was niet goed. En die ziet er toch iets in en die belt mij op met precies deze opmerking: ‘Ik ben Kathleen Warners van de VARA, mogen we met jou een screentest doen?’ Toen dacht ik: ‘Baat het niet dan schaadt het niet.’ Ik was toen toch op zoek naar iets nieuws. Een andere carrière, maar ik was nog zo jong. Ik kon niet zeggen: Ik zeil het uit. Ik moest nog zo veel. En ik was toch gestopt als hoofdredacteur op mijn veertigste. Dus dat noem ik toch wel mazzel. Voor hetzelfde geld had ze het niet gekeken die avond, was ik nooit gebeld en was ik waarschijnlijk niet eens op TV gekomen.

ERNST-JAN PFAUTH: Mazzel speelt zeker een rol. Maar dan had zich toch wel een andere mogelijkheid aangeboden? Je hebt wel een heel decennium radio gemaakt.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Vijf jaar, met Petra Possel.

ERNST-JAN PFAUTH: Waar niemand naar luisterde.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Maar waar ik wel ontzettend veel heb geleerd.

ERNST-JAN PFAUTH: Hoe heb je je de nieuwe vaardigheden aangeleerd? Je moest van het accent af, dat hebben we gecovered. Je had aanleg. Maar hoe heb je het radio maken geleerd?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat moest ik echt leren. Petra Possel is een fantastische radiomaker, nog steeds. Ze maakt nu Mangiare! onder andere, en ze deed heel lang Kunststof. Ik was chef van de kunstredactie. Zij besprak voor mij cabaret. Zo kende ik haar. Zij kwam bij mij haar kopij inleveren en een kort koffiecontact. Meer was het niet. Zij krijgt de kans om een cultureel programma voor de Avro te presenteren en zij zegt: ‘Ik denk dat ik het heel leuk zou vinden om het met jou te doen. Ik weet niet wat je ervan vindt.’ Ik zeg: ‘Nou gouden kans, maar ik weet niet hoe het moet.’ Toen ik naast haar zat heb ik heel veel moeten leren want ik was in het begin echt bere-slecht.

ERNST-JAN PFAUTH: Hoe gaat dat leren?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Door te doen. Door van de zenuwen af te raken. Een microfoon. Het was live in een café, dat was intimiderend. Kijk nu draai ik m’n hand er niet meer voor om. Maar toen zat er natuurlijk een Jaap van Zweden, er zaten echt grote gasten.

ERNST-JAN PFAUTH: Er stond net genoeg op het spel maar er luisterden net te weinig mensen naar, waardoor het wel een veilige leerschool was.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Je zegt het precies zoals het is.

ERNST-JAN PFAUTH: Dus als ik advies hieruit wil destilleren dan is het: zoek een veilige leerschool en leer door te doen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Je hebt het niet allemaal voor het zeggen, zeker niet in de omroepwereld. Maar wat je nu ziet met sommige presentatoren, die worden veel te snel op een hoofdpodium neergezet terwijl je eigenlijk denkt van: daar zit echt wel talent in, maar op dit moment is het nog niet goed genoeg voor wat je nu moet doen. Daar hoort toch wat rijpen bij, hoe je het ook went of keert. Dat is niet zo gek. Ik zeg het in algemene zin. Je moet vlieguren maken. Dit wordt vergeten, of men denkt dat het niet zo is. Ik denk dat dat laatste nog veel zorgelijker is. Dan doe je een screentest goed. Nee joh, het is lastig. Sfeer maken, beetje bij de les blijven, zeker bij live televisie, ja dat heb ik bij die radio ontzettend veel gedaan. Elke week. Violisten, de hele mikmak kwam voorbij.

ERNST-JAN PFAUTH: En had je voorbeelden? Mensen waarvan je dacht: Zo wil ik het ook doen? Naast Petra?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Petra is een van de allerbeste radiomakers. Als televisiekijker was ik onder de indruk van Adriaan van Dis. Hij stond ook ik mijn boeken, ik was natuurlijk student Nederlands, dus dat ging mij allemaal aan. Dat gemak, de charme. En toen ik echt bij de televisie kwam werken heb ik Felix Rottenberg en Mart Smeets als voorbeelden genomen. Van Mart Smeets het rustige en van Felix het vlerkerige.

ERNST-JAN PFAUTH: En hoe pas je dat dan toe in je eigen werk?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Daar ga je mee experimenteren, proberen. Het zijn twee polen en daartussen wil ik me bewegen. Ik vond Felix een unieke presentator. Charmant, vilein, vlerkerig, goed op de hoogte, brutaal, nooit saai. En Smeets, aan de hele andere kant van het spectrum: almachtig, rustig. Dus ik dacht: ‘Ik moet eigenlijk examen afleggen.’ Dat weet niemand want niemand weet dat ik naar hen zat te kijken. Maar ik moest dat leren.

Bij Felix dacht ik: ‘Ik zeg tegen iemand als het gesprek niet loopt: ‘Wat een saai gesprek is dit, ligt dat nou aan mij of ligt het nou aan u? Zullen we opnieuw beginnen? Ik vind het een heel raar gesprek. Ik heb geloof ik vier verkeerde vragen gesteld.’ Dat heb ik ook een paar keer gedaan en dat levert natuurlijk iets van ongemak op, maar ook reusachtige vrijheid. Je moet het wel menen hè? Je zou zeggen: het is een trucje, maar het is ook om jezelf de vrijheid te geven. Het moest wel waar zijn want dan kon ik het ook toepassen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Bij Mart [probeerde ik het ook]. Ik kreeg het programma Holland Sport, met Wilfried de Jong. Daar had hij een massagetafel als unieke rubriek en hij wilde dat ik ook een rubriek had, dan was het in ieder geval gelijk verdeeld. Toen hebben we het museum bedacht. Het museum bestond eruit dat ik voor een kast stond met een voetbalschoen in mijn hand, en dan zei ik in de camera: ‘Dit is de voetbalschoen van Klaas-Jan Huntelaar, die ben ik vanmiddag wezen opzoeken bij allebei zijn ouders en wat er met deze schoen gebeurd is, dat is ongelofelijk. Dat heeft die vader mij net verteld.’ Zo he, op een camera, zonder autocue, met een rust die Smeets had. Ik niet overigens. Maar ik ging dat leren. Dat was mijn Mart Smeets-examen.

Ik kijk goed en dan neem je er iets van op en je hoopt dat je natuurlijk ook iets van jezelf hebt, vanzelfsprekend. Ik heb mezelf wel echt gedwongen om het even na te doen. Gewoon epigonisme eigenlijk, half plagiaat eigenlijk, om verder te komen in wat je durft.

ERNST-JAN PFAUTH: En waar toetste je het examen aan? Wanneer was je geslaagd?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Als ik een goed museum had gemaakt en dat ging goed. De eerste keren repeteerde ik het door de gangen lopend, maar op het laatst deed ik dat nooit meer. Ik wist gewoon wat ik ging vertellen, zoals ik dat nu ook nog kan. En dan begin je gewoon ergens en dan weet je zeker dat je niet ontspoort. En toen was ik geslaagd voor het zogenaamde Mart Smeets-examen. De enige die het wist was ik.

ERNST-JAN PFAUTH: Dat is wel grappig want mensen zijn af en toe bang om mensen na te doen. Maar als je twee polen pakt en die gaat na doen, dan kom je op iets unieks uit. Het lukt je nooit om iemand honderd procent na te doen.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Tuurlijk, ik had ook wel iets van mezelf mag ik aannemen, de kern van de zaak. Maar je vroeg me: ‘Kan je meteen voor zo’n camera heel goed zijn?’ Er zullen wereldwonderen bestaan, maar we moeten toch even voor de radio, en ook op de televisie, wat leren, en als je je dat realiseert, dan ga je ook leren. Dan maak je er werk van. Dat heeft mijn geestdrift te maken, om goed te zijn in mijn vak.

ERNST-JAN PFAUTH: En wanneer weet je: Ik ben er klaar voor?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat weet alleen de presentator of presentatrice zelf. Je voelt het in je kop, op een gegeven moment klopt het. Op een gegeven moment ben je veilig op de stoel waar je zit, voor jezelf. Soms heb je nog de mazzel van een interview wat je wat verderop helpt, wat lastig was en wat je goed hebt doorstaan of je het floret juist hanteerde, zal ik maar zeggen. Dat helpt je altijd verder.

ERNST-JAN PFAUTH: Mis je die onbevangenheid van vroeger? 

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee.

ERNST-JAN PFAUTH: Je bent nu natuurlijk wereldberoemd in Nederland. Je zat in een interview met Beau, dat er voor je gezongen werd, La Bohème door André van Duin. Jij wist dat niet dat dat ging gebeuren, daardoor raakte je erdoor geroerd. Vervolgens zei je tegen Beau: ‘Als ik het had geweten, had ik me ertegen gewapend.’ Toen vroeg ik me af: ‘Hoe werkt dat wapenen?’

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat heeft misschien te maken met dat ik niet zo graag, of het niet zo nodig vind, om emotioneel op televisie te zijn. Ik jaag de tranen bij mezelf natuurlijk niet op. En misschien is het ook een beetje flauwekul, want het was ook mooi en oprecht, en voor mij blijkbaar zeer ontroerend en voor veel kijkers ook dat André dat deed. Het feit dat die man überhaupt iets voor mij wil doen vond ik een wonder. Dat realiseer je je allemaal, het liedje duurde best wel lang, dus ik had de tijd om na te denken, behalve te luisteren.

En bij het graf van Aznavour was eigenlijk hetzelfde deze zomer. Ik vermoedde al dat ik daar niks te zoeken had. En dat zeg ik om precies dezelfde reden, omdat ik bang ben dat ik… ik hoef niet bij het graf te staan om eraan te denken, maar als je er eenmaal staat dan is er iets sterker dan wat dan ook hè. Dat is toch het ceremoniële van die plek. Kijken naar die fotootjes, naar andere fanmail, het portret van die man. Dan is een graf, net als muziek, een tijdmachine en dan ben je zo weer terug en dan houd je het niet meer.

ERNST-JAN PFAUTH: Waarom wil je die emotie niet toelaten dan?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat weet ik niet. Dat vind ik dan niet zo nodig. Zo iemand ben ik dan niet op tv. Ik ben zo iemand bij mijn vrienden en gezin, die kennen me natuurlijk veel beter. En dat is ook prima, dat moet ook vooral zo zijn, maar dat hoeft niet iedereen te zien vind ik dan. Maar het is wel gebeurd en ik heb er verder ook geen spijt van.

ERNST-JAN PFAUTH: Je zou er ook anders over kunnen denken. Ik had een tijdje heel intensief spreekcursussen gevolgd om goed verhalen te kunnen houden voor een groep. En toen zei een cursusleider op een gegeven moment: ‘Nu kan je het heel goed, alleen nu moet je het gaan zoeken waar het angstig is, want dan wordt het echt.’

Dan moet ik denken aan die twee momenten van jou. We hebben het er nu over omdat het twee hele echte bijzondere momenten waren op televisie. Dus je zou ook kunnen zeggen: Ik accepteer geen gestold beeld van mij als presentator, dus ik laat dit juist meer toe, en dat is mijn manier om verder te groeien.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Daar is iets voor te zeggen, maar zo heb ik er tot nu toe niet naar gekeken. Of het een gestold beeld is, dat is ook weer het andere uiterste. Ik merk aan de reacties dat mensen het zelfs wel op prijs stellen, alsof ik die kant niet zou hebben. Dat zou een beetje raar zijn. Ik ben daar niet helemaal over uit. Ik voel me er niet het gemakkelijkst bij, laat ik het zo maar zeggen. En ik voel me verder meestal reusachtig gemakkelijk.

ERNST-JAN PFAUTH: Voelde het vroeger altijd gemakkelijk? De dingen die je probeerde?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Wel in de zin dat ik er zin in had. Ik heb natuurlijk ook vooral dingen gedaan waar ik ook een beetje aanleg voor had, en dan geloof ik dus heel erg in vakmanschap. Bij een krant is dat nogal wiedes, en bij een mooi stuk maken bij de televisie is dat alweer iets achter de horizon verdwenen. Het gaat allemaal makkelijk: ga maar zitten en doe maar. Maar zo heb ik het natuurlijk nooit gezien. Daarom heb ik ook altijd wel zin en heb ik het gevoel dat er een beetje vooruitgang in zat.

ERNST-JAN PFAUTH: Er zijn ook theorieën dat als je wilt groeien in je werk je juist het oncomfortabele moet opzoeken. Waar je een beetje bang voor bent. En privé ben je een man van angst, dat je een brug niet over durfde te fietsen en hypochonder was. Maar in je werk was je daarentegen onbevreesd?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee helemaal niet. Dat is een wonder. Toen ik best wel geplaagd werd door het een en ander, had ik natuurlijk medicatie om te kijken wat ik ertegen kon doen. Ademhalingsoefeningen etcetera, doet er verder niet zoveel toe. Toen was er natuurlijk ook wel een dokter die zei: ‘Goh het is eigenlijk een wonder dat u nog voor een camera staat. U durft een auto niet meer in toen u stond te tanken omdat u dacht: ‘Wat gaan die auto’s allemaal hard.’ Maar u staat ook voor een camera en er kijken 1,5 miljoen mensen. Dat is precies dezelfde sensatie.’ Ik schrok me een hoedje en dacht: ‘Hij zal nog eens gelijk krijgen dat je daar met de bibbers staat.’ Maar dat is gelukkig niet gebeurd.

ERNST-JAN PFAUTH: Zijn jullie toen tot een antwoord gekomen waarom je dat in je werk niet hebt?

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Nee, ik heb dat ook verder niet verkend of onderzocht.

ERNST-JAN PFAUTH: Ik vind dat fascinerend aan jou. Twee dingen springen er voor mij uit: dat je dus niet die meedogenloze ambitie had, als jongeling. Dat je er met die sprezzatura doorheen ging. En het andere, dat je niet je angst hebt opgezocht in het werk, het oncomfortabele hebt opgezocht in je werk.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Mijn werk was: Ik doe een spelletje, ik heb Holland Sport gedaan, een beetje een theatraal sportprogramma. Ik heb nu een documentaireprogramma gemaakt met Rob Kemps, wat helemaal nieuw voor mij was. En ik heb natuurlijk een talkshow gepresenteerd. Veel meer smaken zijn er misschien niet, dat weet ik niet. Het is niet zo dat ik ergens bang voor was. Ik was wel nieuwsgierig: ‘Kan ik een spelletje presenteren?’ Maar ik vind het vooral leuk om een spelletje te presenteren. Een documentaireprogramma, daar was ik eigenlijk het meest onzeker over.

ERNST-JAN PFAUTH: Maar had je dan toch niet meer de grenzen van je angst in je werk moeten opzoeken? Een bekende angst van jou die bij me opkomt is Engels spreken. Wie weet wat er gebeurt als je dat wel gaat doen. Als je een Amsterdams accent kan afleren kan je ook wel Engels leren spreken.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ja zeker. Dat heeft te maken met zelfvertrouwen. Ik kan wel Engels praten. Ik lees ook al mijn hele leven Engelse kranten, voor de cricketuitslagen. Maar dat durf ik dan niet, dat vind ik niet goed genoeg. Het gemak van mijn Nederlands en het verschil daartussen en het Engels wat je dan spreekt, is mij te groot.

ERNST-JAN PFAUTH: Toch was het een hartverwarmend interview met André Agassi. Het enige interview wat je in het Engels hebt gedaan.

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Ik heb met Wilfried ook wel Engelse interviews gedaan hoor. Maar in De Wereld Draait Door alleen Agassi, en nog een keer ergens anders geloof ik. Maar heel weinig inderdaad. Dat was wel hartstikke leuk.

ERNST-JAN PFAUTH: Dit gaat niet over Jonge Jaren, maar even een zijpad: Als jij dus wel die grenzen gaat opzoeken en wel Engels gaat spreken, en die angst toelaat, dan zorgt het wel voor hele mooie televisie.

Matthijs lacht

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: In dit geval pakte het goed uit. Dat klopt. En ik had me ook ontzettend goed voorbereid en ik was ontspannen toen het zover was, want je spreekt iemand natuurlijk ook achter de schermen en dan is het meteen een aardige vent. Misschien ben ik te streng voor mezelf, of ik ben te bang. Een van de twee. Ik ben deze zijstraat verder niet heel veel ingewandeld.

ERNST-JAN PFAUTH: Je hebt nog alle tijd!

MATTHIJS VAN NIEUWKERK: Dat is heel aardig dat je dat zegt.

Wil je geen aflevering missen?

Geef dan hieronder je e-mailadres op. Dan sturen we een mailtje als er een nieuw interview verschijnt.